OO-doelen
D1: De student kan beschrijven hoe de bloedstalen verwerkt en geanalyseerd worden. (GI 1.2 niv1 en 2; GI 4.1 niv2)
D2: De student kan bij de meest voorkomende bloedziekten de link leggen tussen de afwijkende laboratoriumresultaten en de epidemiologie, kliniek, prognose en behandeling van de ziekte. (GI 1.2 niv1, 2 en 3)
D3: De student herkent afwijkende waarden uit bloedstollingstesten met oog op bloedstollingsziekten. (GI 1.2 niv1, 2 en 3)
D4: De student kan erfelijke en aangeboren bloedziekten plaatsen in tijd en ruimte met oog op hedendaagse behandelingen en toekomstige ontwikkelingen. (GI 1.2 niv1, 2 en 3; GI 4.1 niv2)
D5: De student kan de normale en abnormale morfologie herkennen op een perifeer bloeduitstrijkje (GI 1.2 niv1, 2 en 3; GI 12.3 niv3; GI 13A.1 niv2)
D6: De student hanteert een correcte beroepshouding (handelt eerlijk, ordelijk en gedisciplineerd onder begeleiding. (GI 7.2 niv3)
D7: De student draagt zorg voor het labomateriaal. (GI 5.1 niv1 en 2)
D8: De student kan op een succesvolle manier met respect voor andere culturen en anderstaligen in team samenwerken. (GI 9.1 niv2 en 3; GI 9.2 niv1 en 2; GI 9.3 niv3; GI 10.2 niv1)
D9: De student kan Nederlandstalige/Engelstalige vakliteratuur begrijpend lezen en interpreteren. (GI 11.1 niv1)
D10: De student kan schriftelijk rapporteren in het Nederlands met de gepaste biomedische vakterminologie. (GI 10.1 niv3)
GI
GI 1.2: Kennis/inzicht in farmaceutische en/of biomed wetenschappen, niv 1: heeft kennis/inzicht in farmaceutische & biomedische wetenschappen en internationale wetenschappelijke ontwikkelingen, niv 2: integreert kennis/inzicht in farmaceutische en/of biomedische wetenschappen en internationale wetenschappelijke en AI - ontwikkelingen onder begeleiding, niv 3: niv 3: integreert kennis/inzicht in farmaceutische en/of biomedische wetenschappen en internationale wetenschappelijke & AI ontwikkelingen op zelfstandige wijze
GI 4.1: Gepaste methoden en technologieën kiezen, niv 2: kiest onderbouwd en onder begeleiding de gepaste methoden en technologieën, rekening houdend met de mogelijkheden en beperkingen, in een welomschreven context
GI 5.1: Volgens SOP's werken: niv 1: kent de SOP's waarmee gewerkt wordt, niv 2: voert de handelingen van SOP's correct uit
GI 7.2: Correcte beroepshouding hanteren: niv 3: hanteert een correcte beroepshouding (integer, betrouwbaar, discipline, nauwkeurig, zin voor initiatief) op zelfstandige wijze
GI 9.1: Teamgericht samenwerken: niv 2: Neemt verantwoordelijkheid op voor de eigen uit te voeren taken. Functioneert in een divers, multicultureel team, stelt zich flexibel op, is oplossingsgericht en houdt zich aan de gemaakte afspraken binnen een groep van vakgenoten of binnen een multidisciplinaire groep in het werkveld, niv 3: neemt medeverantwoordelijkheid op voor collectieve taken, noden en resultaten. Functioneert in een divers, multicultureel team, stelt zich flexibel op, is oplossingsgericht en houdt zich aan de gemaakte afspraken binnen een groep van vakgenoten of binnen een transdisciplinaire groep in het werkveld
GI 9.2: Professioneel en doelgroepgericht communiceren: niv 1 +2: Communiceert respectvol, assertief, constructief met gelijken
GI 9.3: Open-minded: niv 3: gaat op constructieve wijze om met uitdagingen die met interculturele/internationale professionele samenwerking gepaard kan gaan (culturele veerkracht), relativeert eigen visie/ideeën (culturele ontvankelijkheid) en draagt bij tot een sfeer van vertrouwen (culturele, relationele competentie) op zelfstandige wijze
GI 10.1: Schriftelijk rapporteren gebruik makend van de gepaste biomedische vakterminologie en digitale tools: niv 3: rapporteert in Nederlands en Engels schriftelijk en traceerbaar over meerdere experimenten op een samenhangende manier gebruik makend van de gepaste digitale tools
GI 10.2: Mondeling rapporteren en presenteren gebruik makend van de gepaste biomedische vakterminologie en digitale tools: niv 1: rapporteert mondeling in Nederlands, Engels en Frans face-to-face op een duidelijke en transparante manier
GI 11.1: Selectie van internationale wetenschappelijke bronnen: niv 1: heeft kennis van de verschillende internationale wetenschappelijke bronnen en zoekmethodes, maakt een samenvatting uitgaande van een beperkte hoeveelheid bronnen in het Nederlands
GI 12.3: Resultaten kritisch interpreteren: niv 3: interpreteert zelfstandig resultaten in de correcte biomedische context
GI 13A.1: Diagnostische analyses uitvoeren: niv 2: voert eenvoudige diagnostische analyses uit op patiëntenstalen onder begeleiding