ALGEMENE GROEPSCOMPETENTIES + Teamgericht werken en leiding nemen: - Actief deelnemen aan groepsactiviteiten - Kan omgaan met afspraken en groepsrollen op zich nemen in een taakgestuurde omgeving, kan planmatig werken - Kan de rol van gespreksleider of voorzitter op zich nemen, en het groepsproces sturen, Geeft richting op het niveau van taken en de uitvoering daarvan - Geeft richting op het niveau van processen en structuren - Bijdragen aan het afleveren van het product van een groepstaak BEROEPSCOMPETENTIES 1.1.2 bij het bepalen van de beginsituatie rekening houden met de totale persoonlijkheidsontwikkeling van de leerling. 1.2.2 doelstellingen kiezen en formuleren, rekening houdend met de beginsituatie van de leerlingen en met de kenmerken en diversiteit van de groep; 1.2.4 waar er onderscheid is tussen basisdoelstellingen en uitbreiding, dat onderscheid motiveren op basis van de beginsituatie van de leerling, het leerplan in kwestie en het schoolwerkplan; 1.2.5 impliciete doelen die in leer- en opvoedingssituaties besloten liggen, expliciteren; 1.2.6 doelstellingen concreet en operationeel formuleren; 1.3.1 keuzes maken uit een gegeven aanbod, rekening houdend met de beginsituatie, de maatschappelijke relevantie, de beschikbare tijd en hulpmiddelen en met de kenmerken van het aanbod thuis; 1.4.1 het onderwijsaanbod opdelen in leerstappen, 1.4.3 leerinhouden en leerervaringen vertalen in een zinvol onderwijsaanbod dat aansluit bij de leefwereld en motivatie van de leerlingen, 1.5 De leerkracht kan aangepaste werkvormen en groeperingsvormen bepalen. De leerkracht kan: 1.5.1 aangepaste werkvormen kiezen en ze afstemmen op de doelstellingen 1.5.2 gepaste groeperingsvormen kiezen; 1.5.3 multimedia functioneel gebruiken; 1.6 De leerkracht kan individueel en in team leermiddelen kiezen en aanpassen. De leerkracht kan: 1.6.1 informatie over leermiddelen vinden, raadplegen en kritisch beoordelen, rekening houdend met de specifieke behoeften en kenmerken van de doelgroep; 1.6.2 indien nodig de leermiddelen aanpassen. De ondersteunende kennis omvat relevante bronnen om geschikte leermiddelen te vinden, evenals criteria om ze te beoordelen. 1.7 De leerkracht kan een krachtige leeromgeving creëren met aandacht voor de heterogeniteit binnen de leergroep. De leerkracht kan: 1.7.1 rekening houdend met de beginsituatie, en afhankelijk van de belangstelling en het verwerkingsniveau van de leerlingen, motiverende leeromgevingen ontwerpen die een reële kans op betrokkenheid en succesbeleving inhouden; 1.7.2 leeromgevingen ontwerpen die de mogelijkheid tot allerlei vormen van interactie bieden; 1.7.3 ICT functioneel integreren bij het ontwerpen van een krachtige leeromgeving; 1.7.4 de leerinhouden inbedden in authentieke situaties, die voor de betrokken leerlingen betekenisvol zijn én die representatief zijn voor nieuwe contexten waarin kennis en vaardigheden kunnen worden toegepast; 1.7.5 adequaat inspelen op wat zich voordoet in de feitelijke leeromgeving, en hij kan werken met de inbreng van de leerlingen; 1.7.6 het actief ontdekken en actief verwerken van leerinhouden bevorderen, onder meer door een beroep te doen op het probleemoplossende vermogen van de leerlingen; 1.7.7 de leerlingen laten nadenken over hun leerproces. De ondersteunende kennis omvat implicaties van diversiteit en de kenmerken van een krachtige leeromgeving, alsook van de rol van een aangepast taalgebruik daarin. 1.8 De leerkracht kan observatie en evaluatie voorbereiden. De leerkracht kan: 1.8.1 individueel en in overleg doelstellingvalide vragen, taken en opdrachten in diverse vormen kiezen en opstellen; 1.8.2 individueel en in overleg met collega's eenvoudige observatie-instrumenten kiezen; 1.8.3 de betekenis en plaats van evaluatievormen in het leerproces bepalen; 1.8.4 met ondersteuning beoordelingscriteria bepalen om de vorderingen van de leerling te beoordelen. 1.9.1 op permanente en systematische wijze gegevens verzamelen over het leer- en ontwikkelingsproces van de leerling, via toetsen, observaties, zelfevaluatiegegevens van de lerende en via gesprekken; 1.9.3 prestaties correct en objectief interpreteren en beoordelen; 1.9.4 leerprestaties en -vorderingen rapporteren en bespreken; 1.9.7 evaluatiegegevens aanwenden om het eigen didactisch handelen te evalueren en bij te stellen. 1.11.1 met zijn leerlingen doelgericht gesprekken voeren en daarbij een functioneel taalaanbod doen, functionele taalproductie stimuleren en er feedback op geven; 1.11.2 teksten beoordelen en mondeling toegankelijk maken door ze te bewerken op het vlak van taal en door een aangepaste didactiek; 1.11.3 vragen, opdrachten, evaluaties en feedback mondeling, indien nodig ondersteund met visuele of andere hulpmiddelen helder formuleren en herformuleren; 1.11.4 vragen, opdrachten, evaluaties en feedback schriftelijk helder formuleren indien nodig met visuele of andere ondersteuning; 1.11.5 een heldere uiteenzetting geven, met integratie van schriftelijke of andere ondersteuning, en alles, indien nodig, flexibel aanpassen; 1.11.6 expressief vertellen en voorlezen en dat flexibel aanpassen; 2.1 De leerkracht kan in overleg een positief leefklimaat creëren voor de leerlingen in de groep en op school. De leerkracht kan: 2.1.1 als teamlid meewerken aan het opbouwen van een positieve interactie met de leerlingen, waarbij hij ook de relatie tussen de leerlingen stimuleert en problemen in de groep bespreekbaar maakt; 2.1.2 ervoor zorgen dat leerlingen zich veilig en gewaardeerd voelen; 2.1.3 met respect voor eigenheid en diversiteit, sensitief en inlevend omgaan met de leerlingen; 2.1.4 zijn omgang met de leerlingen kritisch bevragen met het oog op een groeibevorderende relatie met elke leerling. De ondersteunende kennis omvat groepsdynamische en interactieprocessen en de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor sociale vaardigheden; zij omvat tevens de kenmerken van sociale ontwikkeling bij kinderen. 2.2 De leerkracht kan de emancipatie van de leerlingen bevorderen. De leerkracht kan: 2.2.1 de eigenheid van het individuele kind en van de sociale en culturele groepen herkennen, bespreekbaar maken en ermee omgaan met het oog op zelfontplooiing en integratie van de leerlingen; 2.2.2 het kind stimuleren tot mondigheid, zelfstandigheid, eigen initiatief en verantwoordelijkheid en participatie. De ondersteunende kennis omvat kennis van sociale en culturele realiteiten van kinderen. Tevens omvat zij de kennis van het ontstaan van beeldvorming en vooroordelen en van het omgaan daarmee. 2.3.1 een aantal conventies op het gebied van sociale omgang voorleven en leren toepassen; 2.6.4 zorg dragen voor het algemene welbevinden van de leerlingen. De ondersteunende kennis omvat de kenmerken van fysiek welzijn in het algemeen en van jonge kinderen in het bijzonder, en basisprincipes van eerstehulpverlening; zij omvat eveneens de basisinterventies bij frequent voorkomende gezondheidsproblemen. 4.1 De leerkracht kan een gestructureerd werkklimaat bevorderen. De leerkracht kan: 4.1.1 vaardigheden en aanpakwijzen van goed klasmanagement hanteren. De ondersteunende kennis omvat klasmanagement en leerbevorderende en –belemmerende factoren. 4.2.2 een timing respecteren en die indien nodig aanpassen; 4.4 De leerkracht kan een stimulerende en werkbare klasruimte creëren,rekening houdend met de veiligheid van de leerlingen. De leerkracht kan: 4.4.1 uitdagende en veilige speel-, leer- en werkvoorzieningen inrichten in een lokaal; 4.4.2 een klas aangepast, aangenaam en functioneel inrichten. De ondersteunende kennis omvat de kenmerken van stimulerende en veilige speel- of leervoorzieningen in een lokaal. 5.1 De leerkracht kan resultaten van onderwijsontwikkelingswerk en vernieuwende elementen aanwenden en aanbrengen. De leerkracht kan: 5.1.1 vernieuwende inzichten uit de opleiding in zijn onderwijspraktijk aanwenden; 5.2 De leerkracht kan kennisnemen van toegankelijke resultaten van onderwijsonderzoek die relevant zijn voor de eigen praktijk. De ondersteunende kennis omvat relevante en toegankelijke informatiebronnen van onderwijsonderzoek. 5.3 De leerkracht kan het eigen functioneren ter discussie stellen en bijsturen. De leerkracht kan: 5.3.1 de klaspraktijk vanuit reflectie op de eigen ervaringen bijsturen, onder meer door onder begeleiding eenvoudig praktijkgericht onderzoek uit te voeren. De ondersteunende kennis omvat vormen van reflectie op het eigen handelen en functioneren in de klas en op school en de kenmerken van een eenvoudig praktijkgericht onderzoek. 7.2 De leerkracht kan binnen het team over een taakverdeling overleggen en de afspraken naleven. De ondersteunende kennis omvat kennis van de functies en taken binnen een school. 7.5 De leerkracht kan in Standaardnederlands adequaat in interactie treden met alle leden van het schoolteam. De leerkracht kan: 7.5.1 doelgericht verschillende soorten gesprekken voeren afhankelijk van de klasen schoolcontext; 7.5.2 een korte, heldere uiteenzetting geven en daarbij flexibel gebruikmaken van ondersteuning in schrift en beeld; 7.5.3 doelgericht verschillende soorten korte teksten schrijven afhankelijk van de klas- en schoolcontext. De ondersteunende kennis omvat communicatiestrategieën voor taalgebruik in functionele situaties.