De student kan een theoretisch overzicht beschrijven van de ontwikkeling van het embryo en de foetus.
De student kan de aanpassingen beschrijven en verklaren die de foetus ondergaat van het intra- naar het extra-uterien leven (GI: 1.7, GI:2.1, GI:2.2,GI: 2.3)
De student kan de lichamelijke kenmerken beschrijven en interpreteren die eigen zijn aan de neonaat(GI: 1.7, GI:2.1, GI:2)
De student benoemt de eerste zorgen aan de neonaat en kan beschrijven hoe rekening te houden met de individuele behoeften van moeder en kind (GI:1.7, GI:2.1, GI:2.2,GI: 2.3, GI: 4.1, GI: 4.2, GI: 4.3, GI: 4.4, GI: 6.2, GI: 6.4, GI:7.1, GI: 7.3, GI: 7.4, GI: 7.5, GI: 11.1, GI: 12.1, GI: 12.2)
De student kan de voedingsbehoeften van de neonaat identificeren (GI: 1.7, GI: 6.2, GI: 6.4)
De student kent de handelingen om vroegtijdig risico’s op te sporen en afwijkingen in de fysiologische ontwikkeling vast te stellen en te beoordelen (GI: 1.7,GI:2.1, GI:2.2,GI: 2.3, GI: 3.16, GI: 4.1, GI: 4.2, GI: 4.3, GI: 4.4)
De student kan op gepaste wijze en volgens de individuele behoeften van moeder en kind advies en voorlichting geven aan de kraamvrouw(GI: 1.7,GI: 4.1, GI: 4.2, GI: 4.3, GI: 4.4,GI: 6.2, GI: 6.4,GI:7.1, GI: 7.3, GI: 7.4, GI: 7.5)
De student kan beschrijven om in afwezigheid van artsen adequate handelingen te stellen in noodsituaties aan de neonaat (GI:2.1, GI:2.2,GI: 2.3, GI: 3.16)