Algemene competenties
Vermogen tot kritische reflectie
AC 3.1 Consequenties formuleren bij het eigen functioneren (ook in groep) en de verworven leerinhouden
AC3.2 Verbanden leggen tussen datgene wat geleerd is, de persoonlijke ervaringen en het beroepsveld van de leraar
Creativiteit
AC5.1 Staat open voor nieuwigheden en is bereid daarover mee te denken
AC 5.2 Kan met alternatieve ideeën en oplossingen voor de dag komen, Is vernieuwend en origineel in zijn/haar aanpak
Kunnen uitvoeren van eenvoudige leidinggevende taken
AC6.1 Kan de rol van gespreksleider of voorzitter op zich nemen, en het
groepsproces sturen, Geeft richting op het niveau van taken en de
uitvoering daarvan
AC6.2. Kan een eigen realistische werkplanning opmaken en afwerken,
Geeft richting op het niveau van processen en structuren
Algemene Beroepsgerichte competenties
Het besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid samenhangend met de
beroepspraktijk
ABC 3.1- Handelt correct en respectvol ten aanzien van zijn/haar
omgeving en van de bestaande regels en afspraken
ABC3.2- Brengt sociale en ethische normen in de praktijk, handelt
integer in een veelheid aan situaties, ook in die waar geen eenduidige
regelgeving voor bestaat
ABC3.3 In praktijksituaties handelen vanuit de codes van sociale en
ethische normen (diversiteit, interculturaliteit, rechtvaardigheid en
pluralisme) en regels van gangbare (beroeps)deontologie. kan op
verantwoordelijke wijze omgaan met praktijksituaties, medewerkers,
werkgever in relatie tot de ruime maatschappelijk werkomgeving.
Beroepsgerichte competenties
De leraar als begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen
1.1 De leerkracht kan de beginsituatie van de leerlingen en de groep
achterhalen.
De leerkracht kan:
1.1.1 in overleg met teamleden of externen, zowel individuele
kindkenmerken als kenmerken van de groep achterhalen die van invloed kunnen zijn op leren
en onderwijzen;
1.1.2 bij het bepalen van de beginsituatie rekening houden met de totale
persoonlijkheidsontwikkeling van de leerling.
De ondersteunende kennis omvat de kenmerken van de kinderen en de
leerlingengroep en werkwijzen om die te achterhalen.
1.1..3 De leerkracht kan de leerinhouden en leerervaringen selecteren.
De leerkracht kan:
1.3.1 keuzes maken uit een gegeven aanbod, rekening houdend met de
beginsituatie, de maatschappelijke relevantie, de beschikbare tijd en
hulpmiddelen en met de kenmerken van het aanbod thuis;
1.3.2 de inbreng van leerlingen omzetten in leerervaringen;
.4 De leerkracht kan de leerinhouden en leerervaringen structureren en
vertalen in een samenhangend onderwijsaanbod.
De leerkracht kan:
1.4.1 het onderwijsaanbod opdelen in leerstappen, thema's en projecten;
1.4.2 het verband leggen tussen leerstofonderdelen en tussen leergebieden, zowel horizontaal als verticaal;
1.4.3 leerinhouden en leerervaringen vertalen in een zinvol onderwijsaanbod dat aansluit bij de leefwereld en motivatie van de leerlingen, daarbij gebruikmakend van diversiteit, waaronder de sociale, culturele en talige
diversiteit binnen de groep.
1.5 De leerkracht kan aangepaste werkvormen en groeperingsvormen bepalen.
De leerkracht kan:
1.5.1 aangepaste werkvormen kiezen en ze afstemmen op de doelstellingen
1.5.2 gepaste groeperingsvormen kiezen;
1.5.3 multimedia functioneel gebruiken;
1.5.4 zijn aanpak differentiëren als dat nodig is.
1.6 De leerkracht kan individueel en in team leermiddelen kiezen en
aanpassen.
De leerkracht kan:
1.6.1 informatie over leermiddelen vinden, raadplegen en kritisch
beoordelen,
rekening houdend met de specifieke behoeften en kenmerken van de doelgroep;
1.6.2 indien nodig de leermiddelen aanpassen
1.7 De leerkracht kan een krachtige leeromgeving creëren met aandacht voor de heterogeniteit binnen de leergroep.
De leerkracht kan:
1.7.1 rekening houdend met de beginsituatie, en afhankelijk van de belangstelling en het verwerkingsniveau van de leerlingen, motiverende leeromgevingen ontwerpen die een reële kans op betrokkenheid en
succesbeleving inhouden;
1.7.2 leeromgevingen ontwerpen die de mogelijkheid tot allerlei vormen van interactie bieden;
1.7.3 ICT functioneel integreren bij het ontwerpen van een krachtige leeromgeving;
1.7.4 de leerinhouden inbedden in authentieke situaties, die voor de betrokken leerlingen betekenisvol zijn én die representatief zijn voor nieuwe contexten waarin kennis en vaardigheden kunnen worden toegepast;
1.7.5 adequaat inspelen op wat zich voordoet in de feitelijke leeromgeving, en hij kan werken met de inbreng van de leerlingen;
1.7.6 het actief ontdekken en actief verwerken van leerinhouden bevorderen, onder meer door een beroep te doen op het probleemoplossende vermogen van de leerlingen;
1.7.7 de leerlingen laten nadenken over hun leerproces
1.8 De leerkracht kan observatie en evaluatie voorbereiden.
De leerkracht kan:
1.8.1 individueel en in overleg doelstellingvalide vragen, taken en
opdrachten in diverse vormen kiezen en opstellen;
1.8.2 individueel en in overleg met collega's eenvoudige observatie-instrumenten
kiezen;
1.8.3 de betekenis en plaats van evaluatievormen in het leerproces bepalen
1.9 De leerkracht kan observeren en het proces en product evalueren met het oog op bijsturing, remediëring en differentiatie.
De leerkracht kan:
1.9.1 op permanente en systematische wijze gegevens verzamelen over het leer- en ontwikkelingsproces van de leerling, via toetsen, observaties, zelfevaluatiegegevens van de lerende en via gesprekken;
1.9.2 met het oog op een systematische gegevensverzameling met hulp van collega’s een kindvolgsysteem gebruiken;
1.9.3 prestaties correct en objectief interpreteren en beoordelen;
1.9.4 leerprestaties en -vorderingen rapporteren en bespreken
1.11 De leerkracht kan het leer- en ontwikkelingsproces adequaat begeleiden in Standaardnederlands en daarbij rekening houden met en gericht inspelen op de diverse persoonlijke en maatschappelijke
taalachtergronden van de leerlingen.
De leerkracht kan:
1.11.1 met zijn leerlingen doelgericht gesprekken voeren en daarbij een
functioneel taalaanbod doen, functionele taalproductie stimuleren en er
feedback op geven;
1.11.2 teksten beoordelen en mondeling toegankelijk maken door ze te bewerken op het vlak van taal en door een aangepaste didactiek;
1.11.3 vragen, opdrachten, evaluaties en feedback mondeling, indien nodig ondersteund met visuele of andere hulpmiddelen helder formuleren en herformuleren;
1.11.4 vragen, opdrachten, evaluaties en feedback schriftelijk helder formuleren indien nodig met visuele of andere ondersteuning;
1.11.5 een heldere uiteenzetting geven, met integratie van schriftelijke of andere ondersteuning, en alles, indien nodig, flexibel aanpassen;
1.11.6 expressief vertellen en voorlezen en dat flexibel aanpassen;1.11.7 constructief reageren op het taalgebruik van de leerling.
De ondersteunende kennis omvat communicatiestrategieën voor taalgebruik in functionele
situaties en methodieken voor taalondersteuning en taalgerichtheid in niet-taalvakken.
1.12 De leerkracht kan omgaan met de diversiteit van de groep.
De leerkracht kan:
1.12.1 in het kader van het zorgbeleid en de handelingsplanning het
onderwijsleerproces aanpassen aan de specifieke behoeften en de
mogelijkheden van de leerlingen door in te spelen op de verschillen
tussen leerlingen, het verstrekken van aangepaste en individuele
leerhulp, het aanreiken van hulpmiddelenom een doel te bereiken en
leerdoelen die een belangrijke hinderpaal vormen te vervangen door
haalbare of specifieke doelen;
1.12.2 rekening houden met de sociaal-culturele en talige achtergrond
van leerlingen waaronder de grootstedelijke context.
1.13 De leerkracht kan bijdragen aan het gevoelig maken en openstaan
voor talen door aan talensensibilisering te doen
De leraar als opvoeder
2.1 De leerkracht kan in overleg een positief leefklimaat creëren voor
de leerlingen in de groep en op school.
De leerkracht kan:
2.1.1 als teamlid meewerken aan het opbouwen van een positieve
interactie met de leerlingen, waarbij hij ook de relatie tussen de
leerlingen stimuleert en problemen in de groep bespreekbaar maakt;
2.1.2 ervoor zorgen dat leerlingen zich veilig en gewaardeerd voelen;
2.1.3 met respect voor eigenheid en diversiteit, sensitief en inlevend
omgaan met de leerlingen;
2.1.4 zijn omgang met de leerlingen kritisch bevragen met het oog op een
groei2.2 De leerkracht kan de emancipatie van de leerlingen bevorderen.
De leerkracht kan:
2.2.1 de eigenheid van het individuele kind en van de sociale en culturele groepen herkennen, bespreekbaar maken en ermee omgaan met het oog op zelfontplooiing en integratie van de leerlingen;
2.2.2 het kind stimuleren tot mondigheid, zelfstandigheid, eigen initiatief enverantwoordelijkheid en participatie.
bevorderende relatie met elke leerling.
2.3 De leerkracht kan door attitudevorming leerlingen op individuele ontplooiing en maatschappelijke participatie voorbereiden.
De leerkracht kan:
2.3.1 een aantal conventies op het gebied van sociale omgang voorleven en leren toepassen;
2.4 De leerkracht kan actuele maatschappelijke ontwikkelingen hanteren in een pedagogische context.
De leerkracht kan:
2.4.1 de vormingsinhouden koppelen aan maatschappelijke gebeurtenissen en tendensen;
2.4.2 leerlingen kritisch en zinvol leren omgaan met informatie van en beïnvloeding door de media
2.7 De leerkracht kan communiceren met leerlingen met diverse taalachtergronden in diverse talige situaties
3.De leraar als inhoudelijke expert
3.1 De leerkracht beheerst de basiskennis van de leerinhouden,waaronder ten minste de ontwikkelingsdoelen en eindtermen, en hij kan recente ontwikkelingen over inhouden en vaardigheden uit de
leergebieden Frans, Lichamelijke Opvoeding, Muzische Vorming,Nederlands, Wereldoriëntatie en Wiskunde en de leergebiedoverschrijdende thema’s Leren Leren, Sociale Vaardigheden en Informatie- en Communicatietechnologie (ICT) volgen.
De leerkracht kan:
3.1.1 zijn eigen deskundigheid op inhoudelijk terrein bevorderen;
3.1.2 in het Frans voor de vaardigheden lezen en schrijven functioneren op een sterk B1-niveau (B1+) en voor de vaardigheden luisteren en spreken op B2-niveau.
3.2 De leerkracht kan de verworven kennis en vaardigheid metbetrekking tot leergebieden en vakgebieden aanwenden op een geïntegreerde manier.
De leerkracht kan:
3.2.1 flexibel gebruikmaken van domeinspecifieke kennis en vaardigheden in de pedagogisch-didactische aanpak
3.3 De leerkracht kan het eigen aanbod situeren in het geheel van het onderwijsaanbod met het oog op de begeleiding en oriëntering van de leerlingen.
De leerkracht kan:
3.3.1 in het onderwijsaanbod horizontale en verticale verbanden onderkennen en die verbanden integreren in het eigen aanbod;
3.3.2 het eigen aanbod situeren binnen de ontwikkelingsdoelen en eindtermen en binnen een leerplan.
4.1 De leerkracht kan een gestructureerd werkklimaat bevorderen.
De leerkracht kan:
4.1.1 vaardigheden en aanpakwijzen van goed klasmanagement hanteren
4.2 De leerkracht kan een soepel en efficiënt les- en dagverloop creëren,dat past in een korte- en langetermijnplanning.
De leerkracht kan:
4.2.1 voor de leerlingen, gelijktijdige of opeenvolgende activiteiten vlot en soepel laten verlopen en een kindaangepast dagverloop opbouwen;
4.2.2 een timing respecteren en die indien nodig aanpassen;
4.2.3 de eigen taken op korte en langere termijn plannen
4.4 De leerkracht kan een stimulerende en werkbare klasruimte creëren,rekening houdend met de veiligheid van de leerlingen.
De leerkracht kan:
4.4.1 uitdagende en veilige speel-, leer- en werkvoorzieningen inrichten in een lokaal;
4.4.2 een klas aangepast, aangenaam en functioneel inrichten
5.3 De leerkracht kan het eigen functioneren ter discussie stellen en bijsturen.
De leerkracht kan:
5.3.1 de klaspraktijk vanuit reflectie op de eigen ervaringen bijsturen,
onder meer
door onder begeleiding eenvoudig praktijkgericht onderzoek uit te voeren
6.1 De leerkracht kan zich informeren over en discreet omgaan met
gegevens over de leerling.
De ondersteunende kennis omvat elementen van deontologie in verband met
gegevens over
kinderen.
7.1 De leerkracht kan overleggen en samenwerken binnen het schoolteam.
De leerkracht kan:
7.1.1 zijn opdracht realiseren in samenwerking met de leden van het schoolteam en rekening houdend met de schoolcultuur
7.2 De leerkracht kan binnen het team over een taakverdeling overleggen en de afspraken naleven
7.5 De leerkracht kan in Standaardnederlands adequaat in interactie treden met alle leden van het schoolteam.
De leerkracht kan:
7.5.1 doelgericht verschillende soorten gesprekken voeren afhankelijk van de klasen schoolcontext;
7.5.2 een korte, heldere uiteenzetting geven en daarbij flexibel gebruikmaken van ondersteuning in schrift en beeld;
7.5.3 doelgericht verschillende soorten korte teksten schrijven afhankelijk van de klas- en schoolcontext.
Volgende attitudes gelden voor alle functionele gehelen.
A1 beslissingsvermogen:
durven een standpunt in te nemen of tot een handeling over te gaan, en
er ook de verantwoordelijkheid voor dragen.
A2 relationele gerichtheid:
in contacten met anderen kenmerken van echtheid, aanvaarding, empathie
en
respect tonen.
A3 kritische ingesteldheid:
bereid zijn zichzelf en zijn omgeving ter discussie te stellen, de
waarde van een
bewering of een feit, de wenselijkheid en haalbaarheid van een
vooropgesteld doel te verifiëren, alvorens een stelling in te nemen.
A4 leergierigheid:
actief zoeken naar situaties om zijn competentie te verbreden en te
verdiepen.
A5 organisatievermogen:
erop gericht zijn de taken zo te plannen, te coördineren en te
delegeren, dat het
beoogde doel op een efficiënte manier bereikt kan worden.
A6 zin voor samenwerking:
bereid zijn om gemeenschappelijk aan eenzelfde taak te werken.
A7 verantwoordelijkheidszin:
zich verantwoordelijk voelen voor de school als geheel en het engagement
aangaan
om een positieve ontwikkeling van het kind te bevorderen.
A8 flexibiliteit:
bereid zijn zich aan te passen aan wijzigende omstandigheden, zoals
middelen,
doelen, mensen en procedures.
en en procedures.