AC. Algemene Competenties
1.1 Zelfstandig en in groep, leer, en aanpakstrategieën ontwikkelen,
ziet de essentie van een probleem, legt verbanden en vindt oorzaken,
formuleert hypothesen en formuleert eigen mening terwijl de
consequenties hiervan worden ingezien.
2.1 Vlot de nodige gegevens vinden in hoorcolleges, op internet,
mediatheek, etc., om het eigen werk te organiseren en noodzakelijke
informatie te vergaren, en hierover eigen mening beknopt kunnen
formuleren
2.3 Zelfstandig en kritisch bronnen gebruiken, in functie van de
beroepspraktijk efficiënt informatie kunnen opsporen vanuit de
diversiteit van huidige beschikbare bronnen, verworven informatie
adequaat verwerken en ter beschikking kunnen stellen van belanghebbenden
in de beroepspraktijk
3.1 Consequenties formuleren bij het eigen functioneren (ook in groep)
en de verw orven leerinhouden
3.2 Verbanden leggen tussen datgene wat geleerd is, de persoonlijke
ervaringen en het beroepsveld van de leraar
4.1 De student kan omgaan met afspraken en groepsrollen op zich nemen in
een taakgestuurde omgeving, kan planmatig werken
4.2 De student kan een probleemgestuurde omgeving in groep vormgeven,
vanuit een projectmatig stappenplan, stimuleert de projectmedewerkers
tot het kunnen volbrengen van taken en het behalen van resultaten, neemt
verantwoordelijkheid op voor leren binnen de projectorganisatie
4.3 De student kan zelfstandig en in groep, projecten uitwerken voor de
beroepspraktijk, Naar aanleiding van een concrete opdracht van een
werkgever in groep doelstellingen formuleren, een planning of een
draaiboek kunnen opstellen en in samenwerking met andere betrokkenen
uitvoering geven tot het bereiken van het vooropgesteld doel.
5.1 Staat open voor nieuwigheden en is bereid daarover mee te denken
5.2 Kan met alternatieve ideeën en oplossingen voor de dag komen, Is
vernieuwend en origineel in zijn/haar aanpak
6.1 Kan de rol van gespreksleider of voorzitter op zich nemen, en het
groepsproces sturen, Geeft richting op het niveau van taken en de
uitvoering daarvan
7.1 Bewijs leveren van een goede taalvaardigheid, mondelinge
redeneringen bondig en enthousiast weergeven, ICT-mogelijkheden benutten
bij presentaties, Weet informatie, ideeën, problemen en oplossingen
vlot en begrijpelijk te verwoorden.
8.1 Toont zich leer- en aanpassingsbereid met betrekking tot de eigen
functie en situatie
ABC. Algemeen Beroepsgerichte Competenties
1. Teamgericht kunnen werken
1.2 Helpt anderen en pleegt overleg, stimuleert de samenwerking binnen
de groep.
2.1 Werkt gericht en actief aan het oplossen van probleemsituaties, ook
vanuit voorkennis
2.2 Formuleert uitdagende (maar haalbare) oplossingen voor
probleemsituaties en zet zich ten volle in om deze te bereiken, Werkt
resultaatgericht bij het toepassen van oplossingsstrategieën en draagt
dit uit naar de eigen omgeving
3.1 Handelt correct en respectvol ten aanzien van zijn/haar omgeving en
van de bestaande regels en afspraken
BC. Beroepsspecifieke Competenties
De leerkracht kan:
1.1.1 in overleg met teamleden of externen, zowel individuele
kindkenmerken als
kenmerken van de groep achterhalen die van invloed kunnen zijn op leren
en
onderwijzen;
1.1.2 bij het bepalen van de beginsituatie rekening houden met de totale
persoonlijkheidsontwikkeling van de leerling.
De leerkracht kan:
1.2.1 doelstellingen kiezen op basis van de ontwikkelingsdoelen en
eindtermen,
ontwikkelings- en leerlijnen, een geselecteerd leerplan, het
schoolwerkplan en het pedagogisch project;
1.2.2 doelstellingen kiezen en formuleren, rekening houdend met de
beginsituatie van de leerlingen en met de kenmerken en diversiteit van
de groep;
1.2.3 met het oog op het kiezen en formuleren van doelstellingen,
leerlijnen in leerboeken en het leerplan in kwestie herkennen;
1.2.6 doelstellingen concreet en operationeel formuleren;
1.3.1 keuzes maken uit een gegeven aanbod, rekening houdend met de
beginsituatie, de maatschappelijke relevantie, de beschikbare tijd en
hulpmiddelen en met de kenmerken van het aanbod thuis;
1.3.2 de inbreng van leerlingen omzetten in leerervaringen;
De leerkracht kan:
1.4.1 het onderwijsaanbod opdelen in leerstappen, thema's en projecten;
1.4.2 het verband leggen tussen leerstofonderdelen en tussen
leergebieden, zowel horizontaal als verticaal;
1.4.3 leerinhouden en leerervaringen vertalen in een zinvol
onderwijsaanbod dat
aansluit bij de leefwereld en motivatie van de leerlingen, daarbij
gebruikmakend van diversiteit, waaronder de sociale, culturele en talige
diversiteit binnen de groep.
1.5.1 aangepaste werkvormen kiezen en ze afstemmen op de doelstellingen
1.5.2 gepaste groeperingsvormen kiezen;
1.5.4 zijn aanpak differentiëren als dat nodig is.
1.6.1 informatie over leermiddelen vinden, raadplegen en kritisch
beoordelen,
rekening houdend met de specifieke behoeften en kenmerken van de
doelgroep;
1.6.2 indien nodig de leermiddelen aanpassen.
1.7.1 rekening houdend met de beginsituatie, en afhankelijk van de
belangstelling en het verwerkingsniveau van de leerlingen, motiverende
leeromgevingen ontwerpen die een reële kans op betrokkenheid en
succesbeleving inhouden;
1.7.2 leeromgevingen ontwerpen die de mogelijkheid tot allerlei vormen
van interactie bieden;
1.7.5 adequaat inspelen op wat zich voordoet in de feitelijke
leeromgeving, en hij kan werken met de inbreng van de leerlingen;
1.7.6 het actief ontdekken en actief verwerken van leerinhouden
bevorderen, onder meer door een beroep te doen op het probleemoplossende
vermogen van de leerlingen;
1.8.1 individueel en in overleg doelstellingvalide vragen, taken en
opdrachten in
diverse vormen kiezen en opstellen;
De leerkracht kan:
1.11.1 met zijn leerlingen doelgericht gesprekken voeren en daarbij een
functioneel taalaanbod doen, functionele taalproductie stimuleren en er
feedback op geven;
1.11.2 teksten beoordelen en mondeling toegankelijk maken door ze te
bewerken op het vlak van taal en door een aangepaste didactiek;
1.11.3 vragen, opdrachten, evaluaties en feedback mondeling, indien
nodig
ondersteund met visuele of andere hulpmiddelen helder formuleren en
herformuleren;
1.11.4 vragen, opdrachten, evaluaties en feedback schriftelijk helder
formuleren
indien nodig met visuele of andere ondersteuning;
1.11.5 een heldere uiteenzetting geven, met integratie van schriftelijke
of andere
ondersteuning, en alles, indien nodig, flexibel aanpassen;
1.11.6 expressief vertellen en voorlezen en dat flexibel aanpassen;
1.11.7 constructief reageren op het taalgebruik van de leerling.
1.12.2 rekening houden met de sociaal-culturele en talige achtergrond
van leerlingen waaronder de grootstedelijke context.
1.13 De leerkracht kan bijdragen aan het gevoelig maken en openstaan
voor talen door aan talensensibilisering te doen.
2.1.2 ervoor zorgen dat leerlingen zich veilig en gewaardeerd voelen;
2.1.3 met respect voor eigenheid en diversiteit, sensitief en inlevend
omgaan met de leerlingen;
De leerkracht kan:
3.1.1 zijn eigen deskundigheid op inhoudelijk terrein bevorderen;
De leerkracht kan:
3.2.1 flexibel gebruikmaken van domeinspecifieke kennis en vaardigheden
in de
pedagogisch-didactische aanpak.
3.3.2 het eigen aanbod situeren binnen de ontwikkelingsdoelen en
eindtermen en binnen een leerplan.
De leerkracht kan:
4.1.1 vaardigheden en aanpakwijzen van goed klasmanagement hanteren.
De leerkracht kan:
4.2.1 voor de leerlingen, gelijktijdige of opeenvolgende activiteiten
vlot en soepel
laten verlopen en een kindaangepast dagverloop opbouwen;
4.2.2 een timing respecteren en die indien nodig aanpassen;
4.2.3 de eigen taken op korte en langere termijn plannen.
De leerkracht kan:
5.1.1 vernieuwende inzichten uit de opleiding in zijn onderwijspraktijk
aanwenden;
5.3 De leerkracht kan het eigen functioneren ter discussie stellen en
bijsturen.
7.1.1 zijn opdracht realiseren in samenwerking met de leden van het
schoolteam en rekening houdend met de schoolcultuur;
A. Attitudes
A4 leergierigheid:
actief zoeken naar situaties om zijn competentie te verbreden en te
verdiepen.
A5 organisatievermogen:
erop gericht zijn de taken zo te plannen, te coördineren en te
delegeren, dat het
beoogde doel op een efficiënte manier bereikt kan worden.
A6 zin voor samenwerking:
bereid zijn om gemeenschappelijk aan eenzelfde taak te werken.