Erasmushogeschool Brussel
Nijverheidskaai 170, B-1070 BRUSSEL
Tel. 02 523 37 37 - Fax 02 523 37 57
info@ehb.be
Succesvol ontwikkelen, leren en onderwijzen 2B15948/872/1112/1/12
Studiegids

Succesvol ontwikkelen, leren en onderwijzen 2B

15948/872/1112/1/12
Academiejaar 2011-12
Komt voor in:
  • Bachelor in het Onderwijs - Lager Onderwijs, trajectschijf 2
Dit is een enkelvoudig opleidingsonderdeel.
Studieomvang: 3 studiepunten
Gewicht: 3,00
Totale studietijd: 85,00 uren
Mogelijke grensdata voor leerkrediet: 15.03.2012 (EƩnmalig georganiseerd, enkel in het tweede semester)
Dit opleidingsonderdeel wordt gequoteerd op 20 (tot op een geheel getal).
Tweede examenkans: wel mogelijk.
Tolereerbaarheid: Voor dit opleidingsonderdeel is een resultaat van minder dan 10/20 niet tolereerbaar.
Behoudbaarheid: De quotering van dit opleidingsonderdeel is behoudbaar onder de voorwaarden van de opleiding waarvoor je bent ingeschreven.
Aard: Verplicht vak
Men kan dit opleidingsonderdeel niet volgen binnen een
  • examencontract (met het oog op het behalen van een creditbewijs).
  • examencontract (met het oog op het behalen van een diploma).
Docenten: Langenaeken Judith
Taalvak: Nee
Onderwijstalen: Nederlands
Kalender: Semester 2

Gestructureerde registratie van Handboeken, Syllabi, Softwarepakketten ..

Handboek
Clim-wijzerVerplicht
  • Auteur: Filip Paelman
  • Uitgever: De Boeck
  • Editie: 5de druk 2006
  • ISBN-nr: 978-90-455-2077-3
  • Te koop via de verkoopdienst
Syllabus
Succevol ontwikkelen, leren en onderwijzen 2BVerplicht
  • Auteur: Judith Langenaeken
  • Medium: Papier
  • Te koop via de verkoopdienst

Omschrijving Begincompetenties

Functioneel geheel 1
De leraar als begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen

1.1.2 bij het bepalen van de beginsituatie rekening houden met de totale
persoonlijkheidsontwikkeling van de leerling.
De ondersteunende kennis omvat de kenmerken van de kinderen en de leerlingengroep en
werkwijzen om die te achterhalen.

1.2 De leerkracht kan doelstellingen kiezen en formuleren.
De leerkracht kan:
1.2.1 doelstellingen kiezen op basis van de ontwikkelingsdoelen en eindtermen,
ontwikkelings- en leerlijnen, een geselecteerd leerplan, het schoolwerkplan en het pedagogisch project;
1.2.2 doelstellingen kiezen en formuleren, rekening houdend met de beginsituatie van de leerlingen en met de kenmerken en diversiteit van de groep;
1.2.3 met het oog op het kiezen en formuleren van doelstellingen, leerlijnen in
leerboeken en het leerplan in kwestie herkennen;
1.2.4 waar er onderscheid is tussen basisdoelstellingen en uitbreiding, dat
onderscheid motiveren op basis van de beginsituatie van de leerling, het leerplan in kwestie en het schoolwerkplan;
1.2.5 impliciete doelen die in leer- en opvoedingssituaties besloten liggen,
expliciteren;
1.2.6 doelstellingen concreet en operationeel formuleren;

1.3 De leerkracht kan de leerinhouden en leerervaringen selecteren.
De leerkracht kan:
1.3.1 keuzes maken uit een gegeven aanbod, rekening houdend met de
beginsituatie, de maatschappelijke relevantie, de beschikbare tijd en hulpmiddelen en met de kenmerken van het aanbod thuis;
1.3.2 de inbreng van leerlingen omzetten in leerervaringen;

1.4 De leerkracht kan de leerinhouden en leerervaringen structureren en vertalen in een samenhangend onderwijsaanbod.
De leerkracht kan:
1.4.1 het onderwijsaanbod opdelen in leerstappen,

1.4.3 leerinhouden en leerervaringen vertalen in een zinvol onderwijsaanbod dat
aansluit bij de leefwereld en motivatie van de leerlingen,

1.5 De leerkracht kan aangepaste werkvormen en groeperingsvormen bepalen.
De leerkracht kan:
1.5.1 aangepaste werkvormen kiezen en ze afstemmen op de doelstellingen
1.5.2 gepaste groeperingsvormen kiezen;
1.5.3 multimedia functioneel gebruiken;

1.6 De leerkracht kan individueel en in team leermiddelen kiezen en
aanpassen.
De leerkracht kan:
1.6.1 informatie over leermiddelen vinden, raadplegen en kritisch beoordelen,
rekening houdend met de specifieke behoeften en kenmerken van de doelgroep;

1.7 De leerkracht kan een krachtige leeromgeving creëren met aandacht voor de heterogeniteit binnen de leergroep.
De leerkracht kan:
1.7.1 rekening houdend met de beginsituatie, en afhankelijk van de belangstelling en het verwerkingsniveau van de leerlingen, motiverende leeromgevingen ontwerpen die een reële kans op betrokkenheid en succesbeleving inhouden;
1.7.2 leeromgevingen ontwerpen die de mogelijkheid tot allerlei vormen van interactie bieden;
1.7.3 ICT functioneel integreren bij het ontwerpen van een krachtige leeromgeving;
1.7.4 de leerinhouden inbedden in authentieke situaties, die voor de betrokken
leerlingen betekenisvol zijn én die representatief zijn voor nieuwe contexten waarin kennis en vaardigheden kunnen worden toegepast;
1.7.6 het actief ontdekken en actief verwerken van leerinhouden bevorderen, onder meer door een beroep te doen op het probleemoplossende vermogen van de leerlingen;
1.7.7 de leerlingen laten nadenken over hun leerproces.

1.8 De leerkracht kan observatie en evaluatie voorbereiden.
De leerkracht kan:
1.8.1 individueel en in overleg doelstellingvalide vragen, taken en opdrachten in
diverse vormen kiezen en opstellen;
1.8.2 individueel en in overleg met collega's eenvoudige observatie-instrumenten
kiezen;

1.11 De leerkracht kan het leer- en ontwikkelingsproces adequaat
begeleiden in Standaardnederlands en daarbij rekening houden met en gericht inspelen op de diverse persoonlijke en maatschappelijke
taalachtergronden van de leerlingen.
De leerkracht kan:
1.11.1 met zijn leerlingen doelgericht gesprekken voeren en daarbij een functioneel taalaanbod doen, functionele taalproductie stimuleren en er feedback op geven;
1.11.2 teksten beoordelen en mondeling toegankelijk maken door ze te bewerken op het vlak van taal en door een aangepaste didactiek;
1.11.3 vragen, opdrachten, evaluaties en feedback mondeling, indien nodig
ondersteund met visuele of andere hulpmiddelen helder formuleren en
herformuleren;
1.11.4 vragen, opdrachten, evaluaties en feedback schriftelijk helder formuleren
indien nodig met visuele of andere ondersteuning;
1.11.5 een heldere uiteenzetting geven, met integratie van schriftelijke of andere
ondersteuning, en alles, indien nodig, flexibel aanpassen;
1.11.6 expressief vertellen en voorlezen en dat flexibel aanpassen;
1.11.7 constructief reageren op het taalgebruik van de leerling.
De ondersteunende kennis omvat communicatiestrategieën voor taalgebruik in functionele
situaties en methodieken voor taalondersteuning en taalgerichtheid in niet-taalvakken.


Functioneel geheel 2
De leraar als opvoeder
2.1 De leerkracht kan in overleg een positief leefklimaat creëren voor de leerlingen in de groep en op school.
De leerkracht kan:
2.1.2 ervoor zorgen dat leerlingen zich veilig en gewaardeerd voelen;
2.1.3 met respect voor eigenheid en diversiteit, sensitief en inlevend omgaan met de leerlingen;
2.1.4 zijn omgang met de leerlingen kritisch bevragen met het oog op een
groeibevorderende relatie met elke leerling.

2.3 De leerkracht kan door attitudevorming leerlingen op individuele
ontplooiing en maatschappelijke participatie voorbereiden.
De leerkracht kan:
2.3.1 een aantal conventies op het gebied van sociale omgang voorleven en leren
toepassen;
2.3.2 in de klascontext waarden bespreekbaar maken en door voorbeeldgedrag
stimulerend optreden, hierbij rekening houdend met het pedagogische project;

Functioneel geheel 4
De leraar als organisator
4.1 De leerkracht kan een gestructureerd werkklimaat bevorderen.
De leerkracht kan:
4.1.1 vaardigheden en aanpakwijzen van goed klasmanagement hanteren.
De ondersteunende kennis omvat klasmanagement en leerbevorderende en –belemmerende factoren.

4.2 De leerkracht kan een soepel en efficiënt les- en dagverloop creëren, dat past in een korte- en langetermijnplanning.
De leerkracht kan:
4.2.1 voor de leerlingen, gelijktijdige of opeenvolgende activiteiten vlot en soepel
laten verlopen en een kindaangepast dagverloop opbouwen;
4.2.2 een timing respecteren en die indien nodig aanpassen;
een lokaal.

Functioneel geheel 5
De leraar als innovator - de leraar als onderzoeker

5.1 De leerkracht kan resultaten van onderwijsontwikkelingswerk en
vernieuwende elementen aanwenden en aanbrengen.
De leerkracht kan:
5.1.1 vernieuwende inzichten uit de opleiding in zijn onderwijspraktijk aanwenden;
5.2 De leerkracht kan kennisnemen van toegankelijke resultaten van
onderwijsonderzoek die relevant zijn voor de eigen praktijk.

5.3 De leerkracht kan het eigen functioneren ter discussie stellen en
bijsturen.
De leerkracht kan:
5.3.1 de klaspraktijk vanuit reflectie op de eigen ervaringen bijsturen, onder meer
door onder begeleiding eenvoudig praktijkgericht onderzoek uit te voeren.

Attitudes
Volgende attitudes gelden voor alle functionele gehelen.
A1 beslissingsvermogen:
durven een standpunt in te nemen of tot een handeling over te gaan, en er ook de verantwoordelijkheid voor dragen.
A2 relationele gerichtheid:
in contacten met anderen kenmerken van echtheid, aanvaarding, empathie en
respect tonen.
A3 kritische ingesteldheid:
bereid zijn zichzelf en zijn omgeving ter discussie te stellen, de waarde van een
bewering of een feit, de wenselijkheid en haalbaarheid van een vooropgesteld doel te verifiëren, alvorens een stelling in te nemen.
A4 leergierigheid:
actief zoeken naar situaties om zijn competentie te verbreden en te verdiepen.
A5 organisatievermogen:
erop gericht zijn de taken zo te plannen, te coördineren en te delegeren, dat het
beoogde doel op een efficiënte manier bereikt kan worden.
A6 zin voor samenwerking:
bereid zijn om gemeenschappelijk aan eenzelfde taak te werken.
A7 verantwoordelijkheidszin:
zich verantwoordelijk voelen voor de school als geheel en het engagement aangaan
om een positieve ontwikkeling van het kind te bevorderen.
A8 flexibiliteit:
bereid zijn zich aan te passen aan wijzigende omstandigheden, zoals middelen,
doelen, mensen en procedures.
en en procedures

Omschrijving Eindcompetenties



1.1 De leerkracht kan de beginsituatie van de leerlingen en de groep
achterhalen
.
1.1.2 bij het bepalen van de beginsituatie rekening houden met de totale persoonlijkheidsontwikkeling van de leerling.
1.2 De leerkracht kan doelstellingen kiezen en formuleren.
1.2.2 doelstellingen kiezen en formuleren, rekening houdend met de beginsituatie van de leerlingen en met de kenmerken en diversiteit van de groep;
1.2.4 waar er onderscheid is tussen basisdoelstellingen en uitbreiding, dat onderscheid motiveren op basis van de beginsituatie van de leerling, het leerplan in kwestie en het schoolwerkplan;
1.3 De leerkracht kan de leerinhouden en leerervaringen selecteren.
1.3.3 voor leerlingen met specifieke behoeften, in het kader van het zorgbeleid en de handelingsplanning, leerinhouden en -ervaringen afstemmen op het realiseren van de vooropgestelde doelen door in te spelen op verschillen tussen leerlingen, het verstrekken van aangepaste en individuele leerhulp, het aanreiken van hulpmiddelen om een doel te bereiken en leerdoelen die een belangrijke hinderpaal vormen te vervangen door haalbare of specifieke doelen.
1.5 De leerkracht kan aangepaste werkvormen en groeperingsvormen bepalen.
1.5.4 zijn aanpak differentiëren als dat nodig is.
1.6 De leerkracht kan individueel en in team leermiddelen kiezen en
aanpassen.
1.6.1 informatie over leermiddelen vinden, raadplegen en kritischbeoordelen, rekening houdend met de specifieke behoeften en kenmerken van de doelgroep;
1.7 De leerkracht kan een krachtige leeromgeving creëren met aandacht voor de heterogeniteit binnen de leergroep.
1.7.1 rekening houdend met de beginsituatie, en afhankelijk van de belangstelling en het verwerkingsniveau van de leerlingen, motiverende leeromgevingen ontwerpen die een reële kans op betrokkenheid en succesbeleving
inhouden;
1.7.2 leeromgevingen ontwerpen die de mogelijkheid tot allerlei vormen van interactie bieden;
1.7.3 ICT functioneel integreren bij het ontwerpen van een krachtige leeromgeving;
1.7.6 het actief ontdekken en actief verwerken van leerinhouden bevorderen, onder meer door een beroep te doen op het probleemoplossende vermogen van de leerlingen;
1.7.7 de leerlingen laten nadenken over hun leerproces.
1.8 De leerkracht kan observatie en evaluatie voorbereiden.
1.8.1 individueel en in overleg doelstellingvalide vragen, taken en opdrachten in diverse vormen kiezen en opstellen;
1.8.2 individueel en in overleg met collega's eenvoudige observatie-instrumenten kiezen;
1.8.3 de betekenis en plaats van evaluatievormen in het leerproces bepalen;
1.8.4 met ondersteuning beoordelingscriteria bepalen om de vorderingen van de leerling te beoordelen.
1.9 De leerkracht kan observeren en het proces en product evalueren met het oog op bijsturing, remediëring en differentiatie.
1.9.1 op permanente en systematische wijze gegevens verzamelen over het leer- en ontwikkelingsproces van de leerling, via toetsen, observaties, zelfevaluatiegegevens van de lerende en via gesprekken;
1.9.2 met het oog op een systematische gegevensverzameling met hulp van collega's een kindvolgsysteem gebruiken;
1.9.3 prestaties correct en objectief interpreteren en beoordelen;
1.9.4 leerprestaties en -vorderingen rapporteren en bespreken;
1.9.7 evaluatiegegevens aanwenden om het eigen didactisch handelen te evalueren en bij te stellen.
1.10 De leerkracht kan in overleg met het team deelnemen aan
zorgverbredingsinitiatieven en die laten aansluiten bij de totaalbenadering van
de school.
1.10.1 de school situeren in de buurt en de implicaties daarvan onderkennen;
1.10.2 participeren in het zorg- en gelijkeonderwijskansenbeleid van de school.
ondersteund met visuele of andere hulpmiddelen helder formuleren en herformuleren;
1.12 De leerkracht kan omgaan met de diversiteit van de groep.
1.12.2 rekening houden met de sociaal-culturele en talige achtergrond van
leerlingen waaronder de grootstedelijke context.
2.1 De leerkracht kan in overleg een positief leefklimaat creëren voor de leerlingen in de groep en op school.
2.1.3 met respect voor eigenheid en diversiteit, sensitief en inlevend omgaan met de leerlingen;
2.1.4 zijn omgang met de leerlingen kritisch bevragen met het oog op een groeibevorderende relatie met elke leerling.
2.2 De leerkracht kan de emancipatie van de leerlingen bevorderen.
2.2.1 de eigenheid van het individuele kind en van de sociale en culturele groepen herkennen, bespreekbaar maken en ermee omgaan met het oog op zelfontplooiing en integratie van de leerlingen;
2.2.2 het kind stimuleren tot mondigheid, zelfstandigheid, eigen initiatief en verantwoordelijkheid en participatie.
2.3 De leerkracht kan door attitudevorming leerlingen op individuele ontplooiing en maatschappelijke participatie voorbereiden.
2.3.1 een aantal conventies op het gebied van sociale omgang voorleven en
leren toepassen;
2.3.2 in de klascontext waarden bespreekbaar maken en door voorbeeldgedrag stimulerend optreden, hierbij rekening houdend met het pedagogische project;
2.3.3 de gerichtheid op participatie stimuleren.
2.4 De leerkracht kan actuele maatschappelijke ontwikkelingen hanteren in een pedagogische context.
2.4.1 de vormingsinhouden koppelen aan maatschappelijke gebeurtenissen en tendensen;
2.4.2 leerlingen kritisch en zinvol leren omgaan met informatie van en beïnvloeding door de media.
2.7 De leerkracht kan communiceren met leerlingen met diverse taalachtergronden
in diverse talige situaties.

4.1 De leerkracht kan een gestructureerd werkklimaat bevorderen.
4.1.1 vaardigheden en aanpakwijzen van goed klasmanagement hanteren.
4.2 De leerkracht kan een soepel en efficiënt les- en dagverloop creëren,dat past in een korte- en langetermijnplanning.
4.2.1 voor de leerlingen, gelijktijdige of opeenvolgende activiteiten vlot
en soepel laten verlopen en een kindaangepast dagverloop opbouwen;
4.2.2 een timing respecteren en die indien nodig aanpassen;
4.2.3 de eigen taken op korte en langere termijn plannen.
5.1 De leerkracht kan resultaten van onderwijsontwikkelingswerk en vernieuwende elementen aanwenden en aanbrengen.
5.1.1 vernieuwende inzichten uit de opleiding in zijn onderwijspraktijk aanwenden;
5.1.2 in samenspraak met het schoolteam vernieuwende inzichten die zich in de samenleving aandienen, in zijn onderwijspraktijk integreren.
5.2 De leerkracht kan kennisnemen van toegankelijke resultaten van onderwijsonderzoek die relevant zijn voor de eigen praktijk.
5.3 De leerkracht kan het eigen functioneren ter discussie stellen en bijsturen.
5.3.1 de klaspraktijk vanuit reflectie op de eigen ervaringen bijsturen, onder meer door onder begeleiding eenvoudig praktijkgericht onderzoek uit te voeren.






externen

9.1 De leerkracht kan deelnemen aan het maatschappelijke debat over
onderwijskundige thema's.
9.2 De leerkracht kan dialogeren over zijn beroep en zijn plaats in de samenleving.


Attitudes

Volgende attitudes gelden voor alle functionele gehelen.

A1 beslissingsvermogen :

durven een standpunt in te nemen of tot een handeling over te gaan, en er
ook de verantwoordelijkheid voor dragen.

A2 relationele gerichtheid :

in contacten met anderen kenmerken van echtheid, aanvaarding, empathie en
respect tonen.

A3 kritische ingesteldheid :

bereid zijn zichzelf en zijn omgeving ter discussie te stellen, de waarde
van een bewering of een feit, de wenselijkheid en haalbaarheid van een
vooropgesteld doel te verifiëren, alvorens een stelling in te nemen.

A4 leergierigheid :

actief zoeken naar situaties om zijn competentie te verbreden en te
verdiepen.

A5 organisatievermogen :

erop gericht zijn de taken zo te plannen, te coördineren en te delegeren,
dat het beoogde doel op een efficiënte manier bereikt kan worden.

A6 zin voor samenwerking :

bereid zijn om gemeenschappelijk aan eenzelfde taak te werken.

A7 verantwoordelijkheidszin :

zich verantwoordelijk voelen voor de school als geheel en het engagement
aangaan om een positieve ontwikkeling van het kind te bevorderen.

A8 flexibiliteit :

bereid zijn zich aan te passen aan wijzigende omstandigheden, zoals
middelen, doelen, mensen en procedur

 

Omschrijving van de Doelstellingen van het opleidingsonderdeel

  • De student kan bij het kiezen van doelstellingen rekening houden met de
    diversiteit binnen de groep
  • De student kan differentiëren waar nodig. Hij zoekt naar de gepaste
    differentiatiestrategieën. De student kan verwoorden hoe je de vorderingen van
    leerlingen in kaart brengt, kan een foutenanalyse uitvoeren met het oog op
    differentiatie en remediëring.
  • De student is op te hoogte van de diversiteit van sociale en culturele
    realiteiten van leerlingen . De student kent verschillende vormen van
    intercultureel leren en kan deze integreren in thema’s en projecten.
  • De student kan een doelstellingsvalide toets opstellen. De student kent
    verschillende vormen van rapportering en kan ze op waarde schatten. De student
    ontwikkelt een visie op evaluatie .
  • De student kent de verschijningvormen van groepswerk, contractwerk en
    projectwerk
  • De student kan verschillende vormen van reflectie toepassen.

Omschrijving van de Inhoud van het Opleidingsonderdeel

Volgende items komen aan bod :
- Intercultureel Onderwijs: Coöperatieve werkvormen in bijzonder ' Coöperatief leren in multiculturele groepen'
- Differentiatie
- Evaluatievormen
- Didactische werkvormen: contractwerk,hoekenwerk, projectwerk
- Reflectieoefeningen.
- Discussies/debat rond onderwijsactualiteit

Opsplitsing uren /onderwijswerkvorm

Hoorcollege25,00 uren
Practicum/ Atelier/ Studio - PrAtSt7,00 uren
Zelfstudie & zelfstandig werk53,00 uren

Gestructureerd overzicht van Evaluatiemomenten

Evaluatie(s) voor de eerste examenkans
MomentVorm%Opmerking
Examenmoment juniMondeling examen20,00De studenten presenteren een paper.
Examenmoment juniSchriftelijk examen80,00
Evaluatie(s) voor de tweede examenkans
MomentVorm%Opmerking
Examenmoment augustus/septemberMondeling examen20,00De studenten presenteren een paper
Examenmoment augustus/septemberSchriftelijk examen80,00

Omschrijving Begeleiding

Na afspraak

Bijkomende Kost

0.75

Omschrijving volgtijdelijkheid

Op dit opleidingsonderdeel is er geen volgtijdelijkheid van toepassing.