.
Functioneel geheel 1
De leraar als begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen
1.1.2 bij het bepalen van de beginsituatie rekening houden met de totale
persoonlijkheidsontwikkeling van de leerling.
De ondersteunende kennis omvat de kenmerken van de kinderen en de leerlingengroep en
werkwijzen om die te achterhalen.
1.2 De leerkracht kan doelstellingen kiezen en formuleren.
De leerkracht kan:
1.2.1 doelstellingen kiezen op basis van de ontwikkelingsdoelen en eindtermen,
ontwikkelings- en leerlijnen, een geselecteerd leerplan, het schoolwerkplan en het pedagogisch project;
1.2.2 doelstellingen kiezen en formuleren, rekening houdend met de beginsituatie van de leerlingen en met de kenmerken en diversiteit van de groep;
1.2.3 met het oog op het kiezen en formuleren van doelstellingen, leerlijnen in
leerboeken en het leerplan in kwestie herkennen;
1.2.4 waar er onderscheid is tussen basisdoelstellingen en uitbreiding, dat
onderscheid motiveren op basis van de beginsituatie van de leerling, het leerplan in kwestie en het schoolwerkplan;
1.2.5 impliciete doelen die in leer- en opvoedingssituaties besloten liggen,
expliciteren;
1.2.6 doelstellingen concreet en operationeel formuleren;
1.3 De leerkracht kan de leerinhouden en leerervaringen selecteren.
De leerkracht kan:
1.3.1 keuzes maken uit een gegeven aanbod, rekening houdend met de
beginsituatie, de maatschappelijke relevantie, de beschikbare tijd en hulpmiddelen en met de kenmerken van het aanbod thuis;
1.3.2 de inbreng van leerlingen omzetten in leerervaringen;
1.4 De leerkracht kan de leerinhouden en leerervaringen structureren en vertalen in een samenhangend onderwijsaanbod.
De leerkracht kan:
1.4.1 het onderwijsaanbod opdelen in leerstappen,
1.4.3 leerinhouden en leerervaringen vertalen in een zinvol onderwijsaanbod dat
aansluit bij de leefwereld en motivatie van de leerlingen,
1.5 De leerkracht kan aangepaste werkvormen en groeperingsvormen bepalen.
De leerkracht kan:
1.5.1 aangepaste werkvormen kiezen en ze afstemmen op de doelstellingen
1.5.2 gepaste groeperingsvormen kiezen;
1.5.3 multimedia functioneel gebruiken;
1.6 De leerkracht kan individueel en in team leermiddelen kiezen en
aanpassen.
De leerkracht kan:
1.6.1 informatie over leermiddelen vinden, raadplegen en kritisch beoordelen,
rekening houdend met de specifieke behoeften en kenmerken van de doelgroep;
1.7 De leerkracht kan een krachtige leeromgeving creëren met aandacht voor de heterogeniteit binnen de leergroep.
De leerkracht kan:
1.7.1 rekening houdend met de beginsituatie, en afhankelijk van de belangstelling en het verwerkingsniveau van de leerlingen, motiverende leeromgevingen ontwerpen die een reële kans op betrokkenheid en succesbeleving inhouden;
1.7.2 leeromgevingen ontwerpen die de mogelijkheid tot allerlei vormen van interactie bieden;
1.7.3 ICT functioneel integreren bij het ontwerpen van een krachtige leeromgeving;
1.7.4 de leerinhouden inbedden in authentieke situaties, die voor de betrokken
leerlingen betekenisvol zijn én die representatief zijn voor nieuwe contexten waarin kennis en vaardigheden kunnen worden toegepast;
1.7.6 het actief ontdekken en actief verwerken van leerinhouden bevorderen, onder meer door een beroep te doen op het probleemoplossende vermogen van de leerlingen;
1.7.7 de leerlingen laten nadenken over hun leerproces.
1.8 De leerkracht kan observatie en evaluatie voorbereiden.
De leerkracht kan:
1.8.1 individueel en in overleg doelstellingvalide vragen, taken en opdrachten in
diverse vormen kiezen en opstellen;
1.8.2 individueel en in overleg met collega's eenvoudige observatie-instrumenten
kiezen;
1.11 De leerkracht kan het leer- en ontwikkelingsproces adequaat
begeleiden in Standaardnederlands en daarbij rekening houden met en gericht inspelen op de diverse persoonlijke en maatschappelijke
taalachtergronden van de leerlingen.
De leerkracht kan:
1.11.1 met zijn leerlingen doelgericht gesprekken voeren en daarbij een functioneel taalaanbod doen, functionele taalproductie stimuleren en er feedback op geven;
1.11.2 teksten beoordelen en mondeling toegankelijk maken door ze te bewerken op het vlak van taal en door een aangepaste didactiek;
1.11.3 vragen, opdrachten, evaluaties en feedback mondeling, indien nodig
ondersteund met visuele of andere hulpmiddelen helder formuleren en
herformuleren;
1.11.4 vragen, opdrachten, evaluaties en feedback schriftelijk helder formuleren
indien nodig met visuele of andere ondersteuning;
1.11.5 een heldere uiteenzetting geven, met integratie van schriftelijke of andere
ondersteuning, en alles, indien nodig, flexibel aanpassen;
1.11.6 expressief vertellen en voorlezen en dat flexibel aanpassen;
1.11.7 constructief reageren op het taalgebruik van de leerling.
De ondersteunende kennis omvat communicatiestrategieën voor taalgebruik in functionele
situaties en methodieken voor taalondersteuning en taalgerichtheid in niet-taalvakken.
Functioneel geheel 2
De leraar als opvoeder
2.1 De leerkracht kan in overleg een positief leefklimaat creëren voor de leerlingen in de groep en op school.
De leerkracht kan:
2.1.2 ervoor zorgen dat leerlingen zich veilig en gewaardeerd voelen;
2.1.3 met respect voor eigenheid en diversiteit, sensitief en inlevend omgaan met de leerlingen;
2.1.4 zijn omgang met de leerlingen kritisch bevragen met het oog op een
groeibevorderende relatie met elke leerling.
2.3 De leerkracht kan door attitudevorming leerlingen op individuele
ontplooiing en maatschappelijke participatie voorbereiden.
De leerkracht kan:
2.3.1 een aantal conventies op het gebied van sociale omgang voorleven en leren
toepassen;
2.3.2 in de klascontext waarden bespreekbaar maken en door voorbeeldgedrag
stimulerend optreden, hierbij rekening houdend met het pedagogische project;
Functioneel geheel 4
De leraar als organisator
4.1 De leerkracht kan een gestructureerd werkklimaat bevorderen.
De leerkracht kan:
4.1.1 vaardigheden en aanpakwijzen van goed klasmanagement hanteren.
De ondersteunende kennis omvat klasmanagement en leerbevorderende en –belemmerende factoren.
4.2 De leerkracht kan een soepel en efficiënt les- en dagverloop creëren, dat past in een korte- en langetermijnplanning.
De leerkracht kan:
4.2.1 voor de leerlingen, gelijktijdige of opeenvolgende activiteiten vlot en soepel
laten verlopen en een kindaangepast dagverloop opbouwen;
4.2.2 een timing respecteren en die indien nodig aanpassen;
een lokaal.
Functioneel geheel 5
De leraar als innovator - de leraar als onderzoeker
5.1 De leerkracht kan resultaten van onderwijsontwikkelingswerk en
vernieuwende elementen aanwenden en aanbrengen.
De leerkracht kan:
5.1.1 vernieuwende inzichten uit de opleiding in zijn onderwijspraktijk aanwenden;
5.2 De leerkracht kan kennisnemen van toegankelijke resultaten van
onderwijsonderzoek die relevant zijn voor de eigen praktijk.
5.3 De leerkracht kan het eigen functioneren ter discussie stellen en
bijsturen.
De leerkracht kan:
5.3.1 de klaspraktijk vanuit reflectie op de eigen ervaringen bijsturen, onder meer
door onder begeleiding eenvoudig praktijkgericht onderzoek uit te voeren.
Attitudes
Volgende attitudes gelden voor alle functionele gehelen.
A1 beslissingsvermogen:
durven een standpunt in te nemen of tot een handeling over te gaan, en er ook de verantwoordelijkheid voor dragen.
A2 relationele gerichtheid:
in contacten met anderen kenmerken van echtheid, aanvaarding, empathie en
respect tonen.
A3 kritische ingesteldheid:
bereid zijn zichzelf en zijn omgeving ter discussie te stellen, de waarde van een
bewering of een feit, de wenselijkheid en haalbaarheid van een vooropgesteld doel te verifiëren, alvorens een stelling in te nemen.
A4 leergierigheid:
actief zoeken naar situaties om zijn competentie te verbreden en te verdiepen.
A5 organisatievermogen:
erop gericht zijn de taken zo te plannen, te coördineren en te delegeren, dat het
beoogde doel op een efficiënte manier bereikt kan worden.
A6 zin voor samenwerking:
bereid zijn om gemeenschappelijk aan eenzelfde taak te werken.
A7 verantwoordelijkheidszin:
zich verantwoordelijk voelen voor de school als geheel en het engagement aangaan
om een positieve ontwikkeling van het kind te bevorderen.
A8 flexibiliteit:
bereid zijn zich aan te passen aan wijzigende omstandigheden, zoals middelen,
doelen, mensen en procedures.
en en procedures