Erasmushogeschool Brussel
Nijverheidskaai 170, B-1070 BRUSSEL
Tel. 02 523 37 37 - Fax 02 523 37 57
info@ehb.be
Succesvol ontwikkelen, leren en onderwijzen 2A15943/872/1112/1/92
Studiegids

Succesvol ontwikkelen, leren en onderwijzen 2A

15943/872/1112/1/92
Academiejaar 2011-12
Komt voor in:
  • Bachelor in het Onderwijs - Lager Onderwijs, trajectschijf 2
Dit is een enkelvoudig opleidingsonderdeel.
Studieomvang: 3 studiepunten
Gewicht: 3,00
Totale studietijd: 85,00 uren
Mogelijke grensdata voor leerkrediet: 30.11.2011 (EƩnmalig georganiseerd, enkel in het eerste semester)
Dit opleidingsonderdeel wordt gequoteerd op 20 (tot op een geheel getal).
Tweede examenkans: wel mogelijk.
Tolereerbaarheid: Voor dit opleidingsonderdeel is een resultaat van minder dan 10/20 niet tolereerbaar.
Behoudbaarheid: De quotering van dit opleidingsonderdeel is behoudbaar onder de voorwaarden van de opleiding waarvoor je bent ingeschreven.
Aard: Verplicht vak
Men kan dit opleidingsonderdeel niet volgen binnen een
  • examencontract (met het oog op het behalen van een creditbewijs).
  • examencontract (met het oog op het behalen van een diploma).
Docenten: Langenaeken Judith
Taalvak: Nee
Onderwijstalen: Nederlands
Kalender: Semester 1

Gestructureerde registratie van Handboeken, Syllabi, Softwarepakketten ..

Handboek
Leer-en Onderwijspsychologische theorieƫnVerplicht
  • Auteur: Peter Van Petegem, Ingrid Imbrecht, Wouter Brandt
  • Uitgever: Academia Press
  • ISBN-nr: 90 382 0852 9
  • Medium: Papier
  • Te koop via de verkoopdienst
Syllabus
Succesvol ontwikkelen, leren en onderwijzen 2AVerplicht
  • Auteur: Judith Langenaeken
  • Te koop via de verkoopdienst

Alle studiematerialen excl Handboeken en Syllabi: Verplicht

Alle PPT gepubliceerd op het leerplatform.

Omschrijving Begincompetenties

.

Functioneel geheel 1
De leraar als begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen

1.1.2 bij het bepalen van de beginsituatie rekening houden met de totale
persoonlijkheidsontwikkeling van de leerling.
De ondersteunende kennis omvat de kenmerken van de kinderen en de leerlingengroep en
werkwijzen om die te achterhalen.

1.2 De leerkracht kan doelstellingen kiezen en formuleren.
De leerkracht kan:
1.2.1 doelstellingen kiezen op basis van de ontwikkelingsdoelen en eindtermen,
ontwikkelings- en leerlijnen, een geselecteerd leerplan, het schoolwerkplan en het pedagogisch project;
1.2.2 doelstellingen kiezen en formuleren, rekening houdend met de beginsituatie van de leerlingen en met de kenmerken en diversiteit van de groep;
1.2.3 met het oog op het kiezen en formuleren van doelstellingen, leerlijnen in
leerboeken en het leerplan in kwestie herkennen;
1.2.4 waar er onderscheid is tussen basisdoelstellingen en uitbreiding, dat
onderscheid motiveren op basis van de beginsituatie van de leerling, het leerplan in kwestie en het schoolwerkplan;
1.2.5 impliciete doelen die in leer- en opvoedingssituaties besloten liggen,
expliciteren;
1.2.6 doelstellingen concreet en operationeel formuleren;

1.3 De leerkracht kan de leerinhouden en leerervaringen selecteren.
De leerkracht kan:
1.3.1 keuzes maken uit een gegeven aanbod, rekening houdend met de
beginsituatie, de maatschappelijke relevantie, de beschikbare tijd en hulpmiddelen en met de kenmerken van het aanbod thuis;
1.3.2 de inbreng van leerlingen omzetten in leerervaringen;

1.4 De leerkracht kan de leerinhouden en leerervaringen structureren en vertalen in een samenhangend onderwijsaanbod.
De leerkracht kan:
1.4.1 het onderwijsaanbod opdelen in leerstappen,

1.4.3 leerinhouden en leerervaringen vertalen in een zinvol onderwijsaanbod dat
aansluit bij de leefwereld en motivatie van de leerlingen,

1.5 De leerkracht kan aangepaste werkvormen en groeperingsvormen bepalen.
De leerkracht kan:
1.5.1 aangepaste werkvormen kiezen en ze afstemmen op de doelstellingen
1.5.2 gepaste groeperingsvormen kiezen;
1.5.3 multimedia functioneel gebruiken;

1.6 De leerkracht kan individueel en in team leermiddelen kiezen en
aanpassen.
De leerkracht kan:
1.6.1 informatie over leermiddelen vinden, raadplegen en kritisch beoordelen,
rekening houdend met de specifieke behoeften en kenmerken van de doelgroep;

1.7 De leerkracht kan een krachtige leeromgeving creëren met aandacht voor de heterogeniteit binnen de leergroep.
De leerkracht kan:
1.7.1 rekening houdend met de beginsituatie, en afhankelijk van de belangstelling en het verwerkingsniveau van de leerlingen, motiverende leeromgevingen ontwerpen die een reële kans op betrokkenheid en succesbeleving inhouden;
1.7.2 leeromgevingen ontwerpen die de mogelijkheid tot allerlei vormen van interactie bieden;
1.7.3 ICT functioneel integreren bij het ontwerpen van een krachtige leeromgeving;
1.7.4 de leerinhouden inbedden in authentieke situaties, die voor de betrokken
leerlingen betekenisvol zijn én die representatief zijn voor nieuwe contexten waarin kennis en vaardigheden kunnen worden toegepast;
1.7.6 het actief ontdekken en actief verwerken van leerinhouden bevorderen, onder meer door een beroep te doen op het probleemoplossende vermogen van de leerlingen;
1.7.7 de leerlingen laten nadenken over hun leerproces.

1.8 De leerkracht kan observatie en evaluatie voorbereiden.
De leerkracht kan:
1.8.1 individueel en in overleg doelstellingvalide vragen, taken en opdrachten in
diverse vormen kiezen en opstellen;
1.8.2 individueel en in overleg met collega's eenvoudige observatie-instrumenten
kiezen;

1.11 De leerkracht kan het leer- en ontwikkelingsproces adequaat
begeleiden in Standaardnederlands en daarbij rekening houden met en gericht inspelen op de diverse persoonlijke en maatschappelijke
taalachtergronden van de leerlingen.
De leerkracht kan:
1.11.1 met zijn leerlingen doelgericht gesprekken voeren en daarbij een functioneel taalaanbod doen, functionele taalproductie stimuleren en er feedback op geven;
1.11.2 teksten beoordelen en mondeling toegankelijk maken door ze te bewerken op het vlak van taal en door een aangepaste didactiek;
1.11.3 vragen, opdrachten, evaluaties en feedback mondeling, indien nodig
ondersteund met visuele of andere hulpmiddelen helder formuleren en
herformuleren;
1.11.4 vragen, opdrachten, evaluaties en feedback schriftelijk helder formuleren
indien nodig met visuele of andere ondersteuning;
1.11.5 een heldere uiteenzetting geven, met integratie van schriftelijke of andere
ondersteuning, en alles, indien nodig, flexibel aanpassen;
1.11.6 expressief vertellen en voorlezen en dat flexibel aanpassen;
1.11.7 constructief reageren op het taalgebruik van de leerling.
De ondersteunende kennis omvat communicatiestrategieën voor taalgebruik in functionele
situaties en methodieken voor taalondersteuning en taalgerichtheid in niet-taalvakken.


Functioneel geheel 2
De leraar als opvoeder
2.1 De leerkracht kan in overleg een positief leefklimaat creëren voor de leerlingen in de groep en op school.
De leerkracht kan:
2.1.2 ervoor zorgen dat leerlingen zich veilig en gewaardeerd voelen;
2.1.3 met respect voor eigenheid en diversiteit, sensitief en inlevend omgaan met de leerlingen;
2.1.4 zijn omgang met de leerlingen kritisch bevragen met het oog op een
groeibevorderende relatie met elke leerling.

2.3 De leerkracht kan door attitudevorming leerlingen op individuele
ontplooiing en maatschappelijke participatie voorbereiden.
De leerkracht kan:
2.3.1 een aantal conventies op het gebied van sociale omgang voorleven en leren
toepassen;
2.3.2 in de klascontext waarden bespreekbaar maken en door voorbeeldgedrag
stimulerend optreden, hierbij rekening houdend met het pedagogische project;

Functioneel geheel 4
De leraar als organisator
4.1 De leerkracht kan een gestructureerd werkklimaat bevorderen.
De leerkracht kan:
4.1.1 vaardigheden en aanpakwijzen van goed klasmanagement hanteren.
De ondersteunende kennis omvat klasmanagement en leerbevorderende en –belemmerende factoren.

4.2 De leerkracht kan een soepel en efficiënt les- en dagverloop creëren, dat past in een korte- en langetermijnplanning.
De leerkracht kan:
4.2.1 voor de leerlingen, gelijktijdige of opeenvolgende activiteiten vlot en soepel
laten verlopen en een kindaangepast dagverloop opbouwen;
4.2.2 een timing respecteren en die indien nodig aanpassen;
een lokaal.

Functioneel geheel 5
De leraar als innovator - de leraar als onderzoeker

5.1 De leerkracht kan resultaten van onderwijsontwikkelingswerk en
vernieuwende elementen aanwenden en aanbrengen.
De leerkracht kan:
5.1.1 vernieuwende inzichten uit de opleiding in zijn onderwijspraktijk aanwenden;
5.2 De leerkracht kan kennisnemen van toegankelijke resultaten van
onderwijsonderzoek die relevant zijn voor de eigen praktijk.

5.3 De leerkracht kan het eigen functioneren ter discussie stellen en
bijsturen.
De leerkracht kan:
5.3.1 de klaspraktijk vanuit reflectie op de eigen ervaringen bijsturen, onder meer
door onder begeleiding eenvoudig praktijkgericht onderzoek uit te voeren.

Attitudes
Volgende attitudes gelden voor alle functionele gehelen.
A1 beslissingsvermogen:
durven een standpunt in te nemen of tot een handeling over te gaan, en er ook de verantwoordelijkheid voor dragen.
A2 relationele gerichtheid:
in contacten met anderen kenmerken van echtheid, aanvaarding, empathie en
respect tonen.
A3 kritische ingesteldheid:
bereid zijn zichzelf en zijn omgeving ter discussie te stellen, de waarde van een
bewering of een feit, de wenselijkheid en haalbaarheid van een vooropgesteld doel te verifiëren, alvorens een stelling in te nemen.
A4 leergierigheid:
actief zoeken naar situaties om zijn competentie te verbreden en te verdiepen.
A5 organisatievermogen:
erop gericht zijn de taken zo te plannen, te coördineren en te delegeren, dat het
beoogde doel op een efficiënte manier bereikt kan worden.
A6 zin voor samenwerking:
bereid zijn om gemeenschappelijk aan eenzelfde taak te werken.
A7 verantwoordelijkheidszin:
zich verantwoordelijk voelen voor de school als geheel en het engagement aangaan
om een positieve ontwikkeling van het kind te bevorderen.
A8 flexibiliteit:
bereid zijn zich aan te passen aan wijzigende omstandigheden, zoals middelen,
doelen, mensen en procedures.
en en procedures

Omschrijving Eindcompetenties

1.1De leerkracht kan de beginsituatie van de leerlingen en de groep achterhalen
1.1.1 in overleg met teamleden of externen, zowel individuele kindkenmerken
als kenmerken van de groep achterhalen die van invloed kunnen zijn op leren en
onderwijzen;
1.1.2 bij het bepalen van de beginsituatie rekening houden met de totale persoonlijkheidsontwikkeling van de leerling

1.2 De leerkracht kan doelstellingen kiezen en formuleren.
1.2.1 doelstellingen kiezen op basis van de ontwikkelingsdoelen en eindtermen, ontwikkelings- en leerlijnen, een geselecteerd leerplan, het schoolwerkplan en het pedagogisch project;
1.2.3 met het oog op het kiezen en formuleren van doelstellingen, leerlijnen
in leerboeken en het leerplan in kwestie herkennen;
1.2.5 impliciete doelen die in leer- en opvoedingssituaties besloten liggen,expliciteren

1.3 De leerkracht kan de leerinhouden en leerervaringen selecteren
1.3.2 de inbreng van leerlingen omzetten in leerervaringen

1.4 De leerkracht kan de leerinhouden en leerervaringen structureren en vertalen in
een samenhangend onderwijsaanbod
1.4.1 het onderwijsaanbod opdelen in leerstappen, thema's en projecten;
1.4.2 het verband leggen tussen leerstofonderdelen en tussen leergebieden,zowel horizontaal als verticaal;
1.4.3 leerinhouden en leerervaringen vertalen in een zinvol onderwijsaanbod dat aansluit bij de leefwereld en motivatie van de leerlingen, daarbij gebruikmakend van diversiteit, waaronder de sociale,
culturele en talige diversiteit binnen de groep.


1.5 De leerkracht kan aangepaste werkvormen en groeperingsvormen bepalen.
1.5.1 aangepaste werkvormen kiezen en ze afstemmen op de doelstellingen;
1.5.2 gepaste groeperingsvormen kiezen;
1.5.3 multimedia functioneel gebruiken


1.6 De leerkracht kan individueel en in team leermiddelen kiezen en
aanpassen
.
1.6.1 informatie over leermiddelen vinden, raadplegen en kritisch beoordelen, rekening houdend met de specifieke behoeften en kenmerken van de doelgroep;
1.6.2 indien nodig de leermiddelen aanpassen

1.7De leerkracht kan een krachtige leeromgeving creëren met aandacht voor de
heterogeniteit binnen de leergroep
1.7.1 rekening houdend met de beginsituatie, en afhankelijk van de belangstelling en het verwerkingsniveau van de leerlingen, motiverende leeromgevingen ontwerpen die een reële kans op betrokkenheid en succesbeleving
inhouden;
1.7.2 leeromgevingen ontwerpen die de mogelijkheid tot allerlei vormen van interactie bieden;
1.7.3 ICT functioneel integreren bij het ontwerpen van een krachtige leeromgeving;
1.7.4 de leerinhouden inbedden in authentieke situaties, die voor de betrokken leerlingen betekenisvol zijn én die representatief zijn voor nieuwe contexten waarin kennis en vaardigheden kunnen worden toegepast;
1.7.5 adequaat inspelen op wat zich voordoet in de feitelijke leeromgeving, en hij kan werken met de inbreng van de leerlingen;
1.7.6 het actief ontdekken en actief verwerken van leerinhouden bevorderen,onder meer door een beroep te doen op het probleemoplossende vermogen van de leerlingen;
1.7.7 de leerlingen laten nadenken over hun leerproces.

2.1 De leerkracht kan in overleg een positief leefklimaat creëren voor de
leerlingen in de groep en op school
.
2.1.2 ervoor zorgen dat leerlingen zich veilig en gewaardeerd voelen;
2.1.3 met respect voor eigenheid en diversiteit, sensitief en inlevend omgaan met de leerlingen;
2.1.4 zijn omgang met de leerlingen kritisch bevragen met het oog op een groeibevorderende relatie met elke leerling.

3.1.De leerkracht kan door attitudevorming leerlingen op individuele ontplooiing en maatschappelijke participatie voorbereiden.
3.2.1 een aantal conventies op het gebied vansociale omgang voorleven en leren toepassen het oog op de begeleiding en oriëntering van de leerlingen.

3.3 De leerkracht kan het eigen aanbod situeren in het geheel van het
onderwijsaanbod met het oog op de begeleiding en oriëntering van de leerlingen.
3.3.1 in het onderwijsaanbod horizontale en verticale verbanden onderkennen
en die verbanden integreren in het eigen aanbod;
3.3.2 het eigen aanbod situeren binnen de ontwikkelingsdoelen en eindtermen
en binnen een leerplan.

5.2 De leerkracht kan kennisnemen van toegankelijke resultaten van onderwijsonderzoek die relevant zijn voor de eigen praktijk

5.3De leerkracht kan het eigen functioneren ter discussie stellen en bijsturen


A1 beslissingsvermogen :

durven een standpunt in te nemen of tot een handeling over te gaan, en er
ook de verantwoordelijkheid voor dragen.

A2 relationele gerichtheid :

in contacten met anderen kenmerken van echtheid, aanvaarding, empathie en
respect tonen.

A3 kritische ingesteldheid :

bereid zijn zichzelf en zijn omgeving ter discussie te stellen, de waarde
van een bewering of een feit, de wenselijkheid en haalbaarheid van een
vooropgesteld doel te verifiëren, alvorens een stelling in te nemen.

A4 leergierigheid :

actief zoeken naar situaties om zijn competentie
te verbreden en te verdiepen


Omschrijving van de Doelstellingen van het opleidingsonderdeel

- De student kan bij de kinderen en de leerlingengroep kenmerken achterhalen die van invloed kunnen zijn op leren en onderwijzen.-
- De student kent de specifieke kenmerken van de leerling bij de overgang kleuter naar eerste leerjaar.
- De student kan impliciete doelen expliciteren .De student kan het verborgen curriculum detecteren en expliciteren.
- De student kent de verschillende stromingen in de psychologie en leertheorieën die geleid hebben tot verschillende opvattingen over leren in onderwijssituaties.
- De studenten kunnen de eindtermen sociale vaardigheden vertalen in krachtige leeractiviteiten
- De studenten kunnen sleutelen aan de werkhouding van leerlingen . Ze kennen strategieën om leerlingen te brengen tot zelfsturing
-De student kan een thema uitwerken waarbij de leerlingen zelfontdekkend de werkelijkheid leren kennen. Ze vertrekken daarbij vanuit het schoolwerkplan het leerplan en de leefwereld en interesses van de leerlingen in de klas.
- De student kan daarbij een verband leggen tussen leergebieden zowel horizontaal als verticaal
- De student kan reflecteren op zijn onderwijspraktijk door middel van een aantal reflectietechnieken.
- De student kan deelnemen aan een debat rond onderwijskundige topics.

Omschrijving van de Inhoud van het Opleidingsonderdeel

In deze cursus worden de begrippen beginsituatie, doelstellingen, onderwijsleerprocessen, zorg binnen de basisschool diepgaand behandeld. De studenten kunnen met deze kennis de beginsituatie in al zijn facetten ontleden om zo onderwijsleerprocessen op gang te brengen met een gedifferentieerd verloop.
Volgende items komen aan bod :
- de didactische beginsituatie ( overgang kleuter –lager)
- leerprocessen
- Thematisch werken in de basisschool
- Reflectievormen
- debat over onderwijskundige topics

Opsplitsing uren /onderwijswerkvorm

Hoorcollege35,00 uren
Practicum/ Atelier/ Studio - PrAtSt7,00 uren
Leer- en evaluatietijd10,00 uren
Zelfstudie & zelfstandig werk33,00 uren

Gestructureerd overzicht van Evaluatiemomenten

Evaluatie(s) voor de eerste examenkans
MomentVorm%Opmerking
Examenmoment januariSchriftelijk examen100,00
Evaluatie(s) voor de tweede examenkans
MomentVorm%Opmerking
Examenmoment augustus/septemberSchriftelijk examen100,00

Omschrijving Begeleiding

Na afspraak.

Bijkomende Kost

0.75

Omschrijving volgtijdelijkheid

Op dit opleidingsonderdeel is er geen volgtijdelijkheid van toepassing.