Erasmushogeschool Brussel
Nijverheidskaai 170, B-1070 BRUSSEL
Tel. 02 523 37 37 - Fax 02 523 37 57
info@ehb.be
Handelburotica 3: Bedrijfsbeheer15897/873/1112/14287/36
Studiegids

Handelburotica 3: Bedrijfsbeheer

15897/873/1112/14287/36
Academiejaar 2011-12
Komt voor in:
  • Bachelor in het Onderwijs: Secundair Onderwijs 2 OV, trajectschijf 3
    Keuzeoptie:
    • handel-burotica
Dit is een deel van het opleidingsonderdeel Handelburotica 3: Economie - Burotica.
Studieomvang: 2 studiepunten
Gewicht: 2,00
Totale studietijd: 60,00 uren
Mogelijke grensdata voor leerkrediet: 30.11.2011 (EƩnmalig georganiseerd, enkel in het eerste semester)
Dit deel van het opleidingsonderdeel 'Handelburotica 3: Economie - Burotica' wordt gequoteerd op 20 (tot op een honderdste).
Tweede examenkans: 
  • wel mogelijk.
  • indien in eerste examenkans niet geslaagd voor opleidingsonderdeel 'Handelburotica 3: Economie - Burotica', moet dit deel enkel herkanst worden indien niet geslaagd.
Aard: Verplicht vak
Docenten: Meys Nadia
Onderwijstalen: Nederlands

Omschrijving Begincompetenties

Geslaagd zijn voor het eerste deeltraject.

Omschrijving Eindcompetenties

Functioneel geheel 1: De leraar als begeleider van leer- en

ontwikkelingsprocessen
1.1 De leerkracht kan de beginsituatie van de leerlingen en de leergroep
achterhalen.

De leerkracht kan:

1.1.1 in overleg met teamleden of externen bij de leerlingengroep

kenmerken achterhalen die een invloed hebben op de kwaliteit van leren

en onderwijzen;

1.1.2 met de hulp van collega’s de heterogeniteit en de diversiteit van

de leergroep onderkennen.



De ondersteunende kennis omvat de leerlingkenmerken en de kenmerken van

de leergroep en de werkwijzen om die te achterhalen.



1.2 De leerkracht kan doelstellingen kiezen en formuleren.



De leerkracht kan:

1.2.1 doelstellingen kiezen op basis van het leerplan/schoolwerkplan

waarin de eindtermen en

ontwikkelingsdoelen vervat zijn, en het pedagogisch project;

1.2.2 doelstellingen kiezen en formuleren, rekening houdend met de

beginsituatie van de leerlingen en met de kenmerken en de diversiteit

van de groep;

1.2.3 doelstellingen differentiëren afhankelijk van vastgestelde

verschillen en/of op basis van

beschikbare documenten;

1.2.4 doelstellingen concreet en operationeel formuleren;



1.3 De leerkracht kan de leerinhouden en leerervaringen selecteren.



De leerkracht kan:

1.3.1 keuzes maken uit een gegeven aanbod, rekening houdend met de

criteria van de beginsituatie,

de maatschappelijke relevantie, de beschikbare tijd en hulpmiddelen in

het belang van de opbouw van

het vakgebied;



1.4 De leerkracht kan de leerinhouden structureren en vertalen in

leeractiviteiten.



De leerkracht kan:

1.4.1 de leerinhouden vertalen in opdrachten die aansluiten bij de

leefwereld, de talige diversiteit, de motivatie en de capaciteiten van

de leerlingen;

1.4.2 naargelang van het geval, de leerinhouden opdelen in

deelleerstappen, gedifferentieerde

opdrachten, thema's en projecten, en modules, al dan niet

vakoverschrijdend



1.5 De leerkracht kan aangepaste werkvormen en groeperingsvormen

bepalen.



De leerkracht kan:

1.5.1 strategieën, multimediale leeromgevingen en aangepaste werkvormen

kiezen die afgestemd zijn

op de doelstellingen;

1.5.2 gepaste groeperingsvormen kiezen, een aangepaste ruimte creëren en

een goede timing

bepalen;

1.5.3 de aanpak differentiëren waar dat nodig is.



De ondersteunende kennis omvat diverse didactische werk- en

groeperingsvormen en elektronische leeromgevingen.



1.7 De leerkracht kan een krachtige leeromgeving realiseren, met

aandacht voor de heterogeniteit binnen de leergroep.





De leerkracht kan:

1.7.1 motiverende leeromgevingen tot stand brengen, die aangepast zijn

aan de belangstelling en het verwerkingsniveau van de leerlingen;

1.7.2 leerinhouden inbedden in authentieke, reële situaties die voor de

leerlingen betekenisvol zijn;

1.7.3 ICT functioneel integreren bij het ontwerpen van een krachtige

leeromgeving;

1.7.4 leerlingen in de gelegenheid stellen om leerinhouden actief te

ontdekken en te verwerken;

1.8 De leerkracht kan observatie en evaluatie voorbereiden, individueel

en indien nodig in team.



De leerkracht kan:

1.8.1 individueel en in overleg doelstellingvalide, gedifferentieerde en

aangepaste vragen, taken en opdrachten onder diverse vormen kiezen en

eventueel opstellen;

1.9 De leerkracht kan proces en product evalueren met het oog op

bijsturing, remediëring en differentiatie.



De leerkracht kan:

1.9.1 met het oog op begeleiding en beoordeling van de leerlingen en het

leerproces op

systematische wijze gegevens verzamelen via evaluatie- en

observatievormen

1.9.2 de vorderingen en prestaties correct interpreteren en beoordelen;

1.9.3 met ondersteuning van collega’s een bijdrage leveren aan het in

team opstellen van een advies over de voortgang van de leerlingen in hun

schoolloopbaan of naar de arbeidsmarkt;

1.9.4 leerprestaties en -vorderingen rapporteren en bespreken, en

activiteiten voor remediëring

voorstellen;

1.9.5 evaluatiegegevens aanwenden om het eigen didactisch handelen te

bevragen en bij te stellen.



1.11 De leerkracht kan het leer- en ontwikkelingsproces adequaat

begeleiden in Standaardnederlands en daarbij rekening houden met het

taalbeheersingsniveau van de leerlingen.



De leerkracht kan:

1.11.1 met zijn leerlingen doelgericht gesprekken voeren en daarbij een

functioneel taalaanbod doen, functionele taalproductie stimuleren en er

feedback op geven;

1.11.2 teksten beoordelen en schriftelijk en mondeling toegankelijk

maken door ze te bewerken op het vlak van taal en door een aangepaste

didactiek;

1.11.3 vragen, opdrachten, evaluatie en feedback mondeling, indien nodig

met visuele of andere ondersteuning helder formuleren en herformuleren;



1.11.4 vragen, opdrachten, evaluatie en feedback schriftelijk helder

formuleren, indien nodig

ondersteund met visuele of andere hulpmiddelen;

1.11.5 een heldere uiteenzetting geven, met integratie van schriftelijke

of andere ondersteuning, en alles, indien nodig, flexibel aanpassen;

1.11.6 vertellen en voorlezen, en is zich daarbij bewust van zijn eigen

mogelijkheden om die

vaardigheden optimaal in te zetten en eventuele beperkingen te

compenseren;

1.11.7 constructief reageren op het taalgebruik van de leerling.



Functioneel geheel 2: De leraar als opvoeder



2.1 De leerkracht kan in overleg een positief leefklimaat creëren voor

de leerlingen in klasverband en op school.



De leerkracht kan:

2.1.1 een positieve interactie met de klasgroep opbouwen en een

positieve relatie tussen de

leerlingen stimuleren;

2.1.2 over de omgang met de leerlingen en de interactie in de klas

reflecteren;

2.1.3 optreden met respect voor eigenheid en diversiteit en tevens

discreet omgaan met gevoelens van leerlingen;

2.1.4 grenzen stellen als de positieve interactie in het gedrang komt.



De ondersteunende kennis omvat groepsdynamische en interactieprocessen,

de eindtermen en

ontwikkelingsdoelen voor sociale vaardigheden en kennis van sociale

ontwikkeling bij leerlingen.





2.2 De leerkracht kan de emancipatie van de leerlingen bevorderen.



De leerkracht kan:

2.2.1 de diversiteit binnen de leerlingengroep en binnen de samenleving

bespreekbaar maken;

2.2.2 leerlingen leren omgaan met diversiteit;

2.2.3 de leerlingen ondersteunen bij het nemen van verantwoordelijkheid.





De ondersteunende kennis omvat het begrip ‘risicoleerling’ (leer- en/of

ontwikkelingsbedreigde leerlingen), diverse leef- en jongerenculturen en

de wijze waarop daarmee kan worden omgegaan.



2.3 De leerkracht kan door attitudevorming leerlingen op individuele

ontplooiing en maatschappelijke participatie voorbereiden.



De leerkracht kan:

2.3.1 bijdragen aan attitudevorming door het leren toepassen van

omgangsconventies;

2.3.2 reflecteren over het eigen waardepatroon en dat van anderen

duiden;

2.3.3 in de klascontext waarden ontwikkelen en bespreekbaar maken en in

een schoolcontext bewust waarden voorleven;

2.3.4 de gerichtheid op participatie stimuleren.



De ondersteunende kennis omvat het pedagogisch project, het

schoolwerkplan, de

eindtermen/ontwikkelingsdoelen die van toepassing zijn, en de

verschijningsvormen van het

verborgen curriculum. Ondersteunende kennis omvat tevens de

participatiestructuren op school, participatietechnieken en kenmerken

van groepsdynamische processen.

.







2.4 De leerkracht kan actuele maatschappelijke ontwikkelingen hanteren

in een pedagogische context.



De leerkracht kan:

2.4.1 maatschappelijke gebeurtenissen aan de leerinhouden koppelen;

2.4.2 leerlingen kritisch en zinvol leren omgaan met informatie van en

beïnvloeding door de media.



De ondersteunende kennis omvat maatschappelijke thema’s en

gebeurtenissen, en de manier waarop die door de media worden vertolkt.



Functioneel geheel 3: De leraar als inhoudelijk expert



3.1 De leerkracht beheerst de domeinspecifieke kennis en vaardigheden,

en kan die verbreden en verdiepen.



De leerkracht kan:

3.1.1 hiaten in de eigen vakdeskundigheid detecteren en aanvullen, en de

verworven deskundigheid actualiseren, uitbreiden en verdiepen.



De ondersteunende kennis omvat de concepten, inhouden, structuren en

methodes van het

vakgebied.



3.2 De leerkracht kan de verworven domeinspecifieke kennis en

vaardigheden aanwenden.



De leerkracht kan:

3.2.1 flexibel gebruikmaken van domeinspecifieke kennis en vaardigheden

in de pedagogisch-

didactische aanpak.



De ondersteunende kennis omvat de concepten, inhouden en structuren, en

methodes van het

vakgebied.



3.3 De leerkracht kan het eigen vormingsaanbod situeren en integreren in

het geheel van het onderwijsaanbod met het oog op de begeleiding en

oriëntering van de leerlingen.



De leerkracht kan:

3.3.1 horizontale en verticale verbanden leggen tussen inhouden uit het

eigen vakgebied, en tussen

die inhouden en de inhouden uit verwante vakgebieden en

vakoverschrijdende domeinen;

3.3.2 het eigen aanbod situeren binnen de ontwikkelingsdoelen en

eindtermen, en binnen een

leerplan.



De ondersteunende kennis omvat leerlijnen, verwantschappen tussen eigen

en andere vakgebieden, en onderwijsstructuren en studieloopbanen.

Functioneel geheel 4: De leraar als organisator





4.2 De leerkracht kan een soepel en efficiënt les- en dagverloop

creëren, passend in een tijdsplanning

vanuit het oogpunt van de leerkracht en de leerlingen.



De leerkracht kan:

4.2.1 voor de leerlingen gelijktijdige of opeenvolgende activiteiten

vlot en soepel laten verlopen;

4.2.2 een timing respecteren en die, indien nodig, aanpassen;

4.2.3 de eigen taken op korte en langere termijn plannen.



De ondersteunende kennis omvat de diverse vormen van tijdsmanagement

zoals het gebruik van agenda's en het jaarplan.



Functioneel geheel 5: De leraar als innovator - de leraar als

onderzoeker



5.1 De leerkracht kan vernieuwende elementen aanwenden en aanbrengen.



De leerkracht kan:

5.1.1 vernieuwende inzichten uit de opleiding in zijn onderwijspraktijk

aanwenden;

5.1.2 in samenspraak met het schoolteam vernieuwende inzichten die zich

in de samenleving

aandienen, in zijn onderwijspraktijk integreren.



De ondersteunende kennis omvat kenmerken van de schoolculturen en

relevante informatiebronnen met betrekking tot ontwikkelingen over

onderwijs en samenleving, waaronder beleidsinitiatieven inzake

onderwijs.



5.2 De leerkracht kan kennisnemen van toegankelijke resultaten van

onderwijsonderzoek die relevant zijn voor de eigen praktijk.

Functioneel geheel 7: De leraar als lid van een schoolteam



7.1 De leerkracht kan overleggen en samenwerken binnen het schoolteam.



De leerkracht kan:

7.1.1 zijn opdracht realiseren in samenwerking met de leden van het

schoolteam en rekening houdend met de schoolcultuur en -organisatie;

7.1.2 participeren in overleg over het schoolbeleid.



De ondersteunende kennis omvat vormen van samenwerkingsverbanden binnen

de school, decretale participatiestructuren, overlegorganen en hun

bevoegdheden, en kennis over de schoolcultuur. Ondersteunende kennis

omvat eveneens relevante aspecten inzake schoolbeleid, de functies van

het schoolwerkplan, de aanwending van het lesurenpakket en soorten

leiderschapsstijlen.



7.2 De leerkracht kan binnen het team over een taakverdeling overleggen

en de afspraken naleven.



De ondersteunende kennis omvat kennis van functies en taken binnen een

school.



7.3 De leerkracht kan de eigen pedagogische en didactische opdracht en

aanpak in het team bespreekbaar maken.



De leerkracht kan:

7.3.1 in dialoog met collega's en de schoolleiding reflecteren over het

eigen pedagogisch en

didactisch handelen;

7.3.2 feedback integreren in het eigen handelen.



De ondersteunende kennis omvat diverse vormen van schoolinterne coaching

en reflecterend leren.



10.1.1 werken aan een interpretatiekader om kritisch om te gaan met

informatie over die thema’s en

ontwikkelingen, en erover dialogeren.



De ondersteunende kennis omvat relevante informatiebronnen.



Attitudes



Volgende attitudes gelden voor alle functionele gehelen.



A1 beslissingsvermogen:

durven een standpunt in te nemen of tot een handeling over te gaan, en

er ook de

verantwoordelijkheid voor dragen.



A2 relationele gerichtheid:

in contacten met anderen kenmerken van echtheid, aanvaarding, empathie

en respect tonen.



A3 kritische ingesteldheid:

bereid zijn zichzelf en zijn omgeving ter discussie te stellen, de

waarde van een bewering of een feit,

de wenselijkheid en haalbaarheid van een vooropgesteld doel te

verifiëren, alvorens een stelling in te nemen.



A4 leergierigheid:

actief zoeken naar situaties om zijn competentie te verbreden en te

verdiepen.



A5 organisatievermogen:

erop gericht zijn de taken zo te plannen, te coördineren en te

delegeren, dat het beoogde doel op een efficiënte manier bereikt kan

worden.



A6 zin voor samenwerking:

bereid zijn om gemeenschappelijk aan eenzelfde taak te werken.



A7 verantwoordelijkheidszin:

zich verantwoordelijk voelen voor de school als geheel en het engagement

aangaan om een positieve ontwikkeling van het kind te bevorderen.



A8 flexibiliteit:

bereid zijn zich aan te passen aan wijzigende omstandigheden, zoals

middelen, doelen, mensen en procedures.










Omschrijving van de Doelstellingen van het opleidingsonderdeel

Overeenkomstig de federale programmawet van 10 februari 1998

tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap, vereist zelfstandig

ondernemen het beschikken over de basiskennis van het bedrijfsbeheer. Een

tweede ondernemingsvaardigheid is de beroepsbekwaamheid. Beide bewijzen kunnen

worden geleverd door hetzij het bezit van één van de akten die door de Koning

zijn aangeduid, hetzij door praktijkervaring. Vermist jongeren tijdens hun

secundaire studie in de gelegenheid zijn om een studiebewijs te verwerven

waaruit de beheerskennis van het bedrijfsbeheer blijkt, is het evident dat deze

cursus in deze opleiding aan bod komt.

In deze cursus zal de student inzicht verwerven in  de grondslagen van het handels- en

vennootschapsrecht en in de verschillende redeneervormen.

Hij leert deze toe te passen binnen vakinhoudelijke contexten.

- De student verwerft voldoende basiskennis handels- en

vennootschapsrecht om deze te kunnen onderwijzen, maar leert

deze kennis ook te plaatsen tov de doelstellingen die op langere termijn

dienen nagestreefd te worden.

- De student verwerft inzicht de grondslagen van het economisch denken

en in de verschillende redeneervormen. Hij leert deze toe te passen

binnen vakinhoudelijke contexten.

- De student verwerft voldoende basiskennis bedrijfseconomie

om deze te kunnen onderwijzen, maar leert deze kennis ook te plaatsen

tov de doelstellingen die op langere termijn dienen nagestreefd te

worden.

- De student leert de mogelijkheden van ICT en de integratie

ervan binnen het economieonderwijs te onderzoeken. Hij ontwikkelt

een vaardigheid in het hanteren van bepaalde software.

- De student leert dat bedrijfseconomie kan gekoppeld worden

aan reële situaties;

- De student ontdekt dat ?leren leren? binnen economie

vraagt om een geïntegreerde aanpak..

Opsplitsing uren /onderwijswerkvorm

Hoorcollege15,00 uren
Werkcollege15,00 uren
Leer- en evaluatietijd18,00 uren
Begeleide zelfstudie & zelfstandig werk12,00 uren

Gestructureerd overzicht van Evaluatiemomenten

Evaluatie(s) voor de eerste examenkans
MomentVorm%Opmerking
Examenmoment januariMondeling examen90,00Een schriftelijke voorbereiding is voorzien. Bedoeling: kernwoorden/zinnen noteren als ondersteuning van het mondeling.
Evaluatie(s) voor de tweede examenkans
MomentVorm%Opmerking
Examenmoment januariMondeling examen90,00Een schriftelijke voorbereiding is voorzien. Bedoeling: kernwoorden/zinnen noteren als ondersteuning van het mondeling.
Evaluatie(s) voor beide examenkansen, niet herhaalbaar in tweede examenkans
MomentVorm%Opmerking
Examenmoment januariTaak10,00Het begeleid zelfstandig werk neemt 10 % in van het examencijfer. BZW niet afgeven betekent niet geslaagd. Het cijfer behaalt voor BZW wordt in geval van een tweede examenkans voor het vak overgedragen.

Bijkomende Kost

0.50