Erasmushogeschool Brussel
Nijverheidskaai 170, B-1070 BRUSSEL
Tel. 02 523 37 37 - Fax 02 523 37 57
info@ehb.be
Vakdidactiek14160/873/1112/14170/78
Studiegids

Vakdidactiek

14160/873/1112/14170/78
Academiejaar 2011-12
Komt voor in:
  • Bachelor in het Onderwijs: Secundair Onderwijs 2 OV, trajectschijf 3
    Keuzeoptie:
    • economie
Dit is een deel van het opleidingsonderdeel Economie 3 : Didactische praktijk (did labo, stage, reflectie).
Studieomvang: 1 studiepunt
Gewicht: 1,00
Totale studietijd: 30,00 uren
Mogelijke grensdata voor leerkrediet: 30.11.2011 (EƩnmalig georganiseerd over het volledige academiejaar)
Dit deel van het opleidingsonderdeel 'Economie 3 : Didactische praktijk (did labo, stage, reflectie)' wordt gequoteerd op 20 (tot op een honderdste).
Tweede examenkans: 
  • wel mogelijk.
  • indien in eerste examenkans niet geslaagd voor opleidingsonderdeel 'Economie 3 : Didactische praktijk (did labo, stage, reflectie)', moet dit deel enkel herkanst worden indien niet geslaagd.
Aard: Verplicht vak
Docenten: Meys Nadia
Onderwijstalen: Nederlands

Omschrijving Begincompetenties

Competenties verworven voor economie in stage 2.

Omschrijving Eindcompetenties

Functioneel geheel 1: De leraar als begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen

1.1 De leerkracht kan de beginsituatie van de leerlingen en de leergroep achterhalen.

De leerkracht kan:
1.1.1 in overleg met teamleden of externen bij de leerlingengroep kenmerken achterhalen die een invloed hebben op de kwaliteit van leren en onderwijzen;
1.1.2 met de hulp van collega’s de heterogeniteit en de diversiteit van de leergroep onderkennen.

De ondersteunende kennis omvat de leerlingkenmerken en de kenmerken van de leergroep en de werkwijzen om die te achterhalen.

1.2 De leerkracht kan doelstellingen kiezen en formuleren.

De leerkracht kan:
1.2.1 doelstellingen kiezen op basis van het leerplan/schoolwerkplan waarin de eindtermen en
ontwikkelingsdoelen vervat zijn, en het pedagogisch project;
1.2.2 doelstellingen kiezen en formuleren, rekening houdend met de beginsituatie van de leerlingen en met de kenmerken en de diversiteit van de groep;
1.2.3 doelstellingen differentiëren afhankelijk van vastgestelde verschillen en/of op basis van
beschikbare documenten;
1.2.4 doelstellingen concreet en operationeel formuleren;

1.3 De leerkracht kan de leerinhouden en leerervaringen selecteren.

De leerkracht kan:
1.3.1 keuzes maken uit een gegeven aanbod, rekening houdend met de criteria van de beginsituatie,
de maatschappelijke relevantie, de beschikbare tijd en hulpmiddelen in het belang van de opbouw van
het vakgebied;

1.4 De leerkracht kan de leerinhouden structureren en vertalen in leeractiviteiten.

De leerkracht kan:
1.4.1 de leerinhouden vertalen in opdrachten die aansluiten bij de leefwereld, de talige diversiteit, de motivatie en de capaciteiten van de leerlingen;
1.4.2 naargelang van het geval, de leerinhouden opdelen in deelleerstappen, gedifferentieerde
opdrachten, thema's en projecten, en modules, al dan niet vakoverschrijdend

1.5 De leerkracht kan aangepaste werkvormen en groeperingsvormen bepalen.

De leerkracht kan:
1.5.1 strategieën, multimediale leeromgevingen en aangepaste werkvormen kiezen die afgestemd zijn
op de doelstellingen;
1.5.2 gepaste groeperingsvormen kiezen, een aangepaste ruimte creëren en een goede timing
bepalen;
1.5.3 de aanpak differentiëren waar dat nodig is.

De ondersteunende kennis omvat diverse didactische werk- en groeperingsvormen en elektronische leeromgevingen.

1.7 De leerkracht kan een krachtige leeromgeving realiseren, met aandacht voor de heterogeniteit binnen de leergroep.


De leerkracht kan:
1.7.1 motiverende leeromgevingen tot stand brengen, die aangepast zijn aan de belangstelling en het verwerkingsniveau van de leerlingen;
1.7.2 leerinhouden inbedden in authentieke, reële situaties die voor de leerlingen betekenisvol zijn;
1.7.3 ICT functioneel integreren bij het ontwerpen van een krachtige leeromgeving;
1.7.4 leerlingen in de gelegenheid stellen om leerinhouden actief te ontdekken en te verwerken;
1.8 De leerkracht kan observatie en evaluatie voorbereiden, individueel en indien nodig in team.

De leerkracht kan:
1.8.1 individueel en in overleg doelstellingvalide, gedifferentieerde en aangepaste vragen, taken en opdrachten onder diverse vormen kiezen en eventueel opstellen;
1.9 De leerkracht kan proces en product evalueren met het oog op bijsturing, remediëring en differentiatie.

De leerkracht kan:
1.9.1 met het oog op begeleiding en beoordeling van de leerlingen en het leerproces op
systematische wijze gegevens verzamelen via evaluatie- en observatievormen
1.9.2 de vorderingen en prestaties correct interpreteren en beoordelen;

1.9.4 leerprestaties en -vorderingen rapporteren en bespreken, en activiteiten voor remediëring
voorstellen;
1.9.5 evaluatiegegevens aanwenden om het eigen didactisch handelen te bevragen en bij te stellen.

1.11 De leerkracht kan het leer- en ontwikkelingsproces adequaat begeleiden in Standaardnederlands en daarbij rekening houden met het taalbeheersingsniveau van de leerlingen.

De leerkracht kan:
1.11.1 met zijn leerlingen doelgericht gesprekken voeren en daarbij een functioneel taalaanbod doen, functionele taalproductie stimuleren en er feedback op geven;
1.11.2 teksten beoordelen en schriftelijk en mondeling toegankelijk maken door ze te bewerken op het vlak van taal en door een aangepaste didactiek;
1.11.3 vragen, opdrachten, evaluatie en feedback mondeling, indien nodig met visuele of andere ondersteuning helder formuleren en herformuleren;
1.11.4 vragen, opdrachten, evaluatie en feedback schriftelijk helder formuleren, indien nodig
ondersteund met visuele of andere hulpmiddelen;
1.11.5 een heldere uiteenzetting geven, met integratie van schriftelijke of andere ondersteuning, en alles, indien nodig, flexibel aanpassen;
1.11.6 vertellen en voorlezen, en is zich daarbij bewust van zijn eigen mogelijkheden om die
vaardigheden optimaal in te zetten en eventuele beperkingen te compenseren;
1.11.7 constructief reageren op het taalgebruik van de leerling.

Functioneel geheel 2: De leraar als opvoeder

2.1 De leerkracht kan in overleg een positief leefklimaat creëren voor de leerlingen in klasverband en op school.

De leerkracht kan:
2.1.1 een positieve interactie met de klasgroep opbouwen en een positieve relatie tussen de
leerlingen stimuleren;
2.1.2 over de omgang met de leerlingen en de interactie in de klas reflecteren;
2.1.3 optreden met respect voor eigenheid en diversiteit en tevens discreet omgaan met gevoelens van leerlingen;
2.1.4 grenzen stellen als de positieve interactie in het gedrang komt.

De ondersteunende kennis omvat groepsdynamische en interactieprocessen, de eindtermen en
ontwikkelingsdoelen voor sociale vaardigheden en kennis van sociale ontwikkeling bij leerlingen.


2.2 De leerkracht kan de emancipatie van de leerlingen bevorderen.

De leerkracht kan:
2.2.1 de diversiteit binnen de leerlingengroep en binnen de samenleving bespreekbaar maken;
2.2.2 leerlingen leren omgaan met diversiteit;
2.2.3 de leerlingen ondersteunen bij het nemen van verantwoordelijkheid.

De ondersteunende kennis omvat het begrip ‘risicoleerling’ (leer- en/of ontwikkelingsbedreigde leerlingen), diverse leef- en jongerenculturen en de wijze waarop daarmee kan worden omgegaan.

2.3 De leerkracht kan door attitudevorming leerlingen op individuele ontplooiing en maatschappelijke participatie voorbereiden.

De leerkracht kan:
2.3.1 bijdragen aan attitudevorming door het leren toepassen van omgangsconventies;
2.3.2 reflecteren over het eigen waardepatroon en dat van anderen duiden;
2.3.3 in de klascontext waarden ontwikkelen en bespreekbaar maken en in een schoolcontext bewust waarden voorleven;
2.3.4 de gerichtheid op participatie stimuleren.

De ondersteunende kennis omvat het pedagogisch project, het schoolwerkplan, de
eindtermen/ontwikkelingsdoelen die van toepassing zijn, en de verschijningsvormen van het
verborgen curriculum. Ondersteunende kennis omvat tevens de participatiestructuren op school, participatietechnieken en kenmerken van groepsdynamische processen.
.



2.4 De leerkracht kan actuele maatschappelijke ontwikkelingen hanteren in een pedagogische context.

De leerkracht kan:
2.4.1 maatschappelijke gebeurtenissen aan de leerinhouden koppelen;
2.4.2 leerlingen kritisch en zinvol leren omgaan met informatie van en beïnvloeding door de media.

De ondersteunende kennis omvat maatschappelijke thema’s en gebeurtenissen, en de manier waarop die door de media worden vertolkt.

Functioneel geheel 3: De leraar als inhoudelijk expert

3.1 De leerkracht beheerst de domeinspecifieke kennis en vaardigheden, en kan die verbreden en verdiepen.

De leerkracht kan:
3.1.1 hiaten in de eigen vakdeskundigheid detecteren en aanvullen, en de verworven deskundigheid actualiseren, uitbreiden en verdiepen.

De ondersteunende kennis omvat de concepten, inhouden, structuren en methodes van het
vakgebied.

3.2 De leerkracht kan de verworven domeinspecifieke kennis en vaardigheden aanwenden.

De leerkracht kan:
3.2.1 flexibel gebruikmaken van domeinspecifieke kennis en vaardigheden in de pedagogisch-
didactische aanpak.

De ondersteunende kennis omvat de concepten, inhouden en structuren, en methodes van het
vakgebied.

3.3 De leerkracht kan het eigen vormingsaanbod situeren en integreren in het geheel van het onderwijsaanbod met het oog op de begeleiding en oriëntering van de leerlingen.

De leerkracht kan:
3.3.1 horizontale en verticale verbanden leggen tussen inhouden uit het eigen vakgebied, en tussen
die inhouden en de inhouden uit verwante vakgebieden en vakoverschrijdende domeinen;
3.3.2 het eigen aanbod situeren binnen de ontwikkelingsdoelen en eindtermen, en binnen een
leerplan.

De ondersteunende kennis omvat leerlijnen, verwantschappen tussen eigen en andere vakgebieden, en onderwijsstructuren en studieloopbanen.
Functioneel geheel 4: De leraar als organisator


4.2 De leerkracht kan een soepel en efficiënt les- en dagverloop creëren, passend in een tijdsplanning
vanuit het oogpunt van de leerkracht en de leerlingen.

De leerkracht kan:
4.2.1 voor de leerlingen gelijktijdige of opeenvolgende activiteiten vlot en soepel laten verlopen;
4.2.2 een timing respecteren en die, indien nodig, aanpassen;
4.2.3 de eigen taken op korte en langere termijn plannen.

De ondersteunende kennis omvat de diverse vormen van tijdsmanagement zoals het gebruik van agenda's en het jaarplan.

Functioneel geheel 5: De leraar als innovator - de leraar als onderzoeker

5.1 De leerkracht kan vernieuwende elementen aanwenden en aanbrengen.

De leerkracht kan:
5.1.1 vernieuwende inzichten uit de opleiding in zijn onderwijspraktijk aanwenden;
5.1.2 in samenspraak met het schoolteam vernieuwende inzichten die zich in de samenleving
aandienen, in zijn onderwijspraktijk integreren.

De ondersteunende kennis omvat kenmerken van de schoolculturen en relevante informatiebronnen met betrekking tot ontwikkelingen over onderwijs en samenleving, waaronder beleidsinitiatieven inzake onderwijs.

5.2 De leerkracht kan kennisnemen van toegankelijke resultaten van onderwijsonderzoek die relevant zijn voor de eigen praktijk.
Functioneel geheel 7: De leraar als lid van een schoolteam

7.1 De leerkracht kan overleggen en samenwerken binnen het schoolteam.

De leerkracht kan:
7.1.1 zijn opdracht realiseren in samenwerking met de leden van het schoolteam en rekening houdend met de schoolcultuur en -organisatie;
7.1.2 participeren in overleg over het schoolbeleid.

De ondersteunende kennis omvat vormen van samenwerkingsverbanden binnen de school, decretale participatiestructuren, overlegorganen en hun bevoegdheden, en kennis over de schoolcultuur. Ondersteunende kennis omvat eveneens relevante aspecten inzake schoolbeleid, de functies van het schoolwerkplan, de aanwending van het lesurenpakket en soorten leiderschapsstijlen.

7.2 De leerkracht kan binnen het team over een taakverdeling overleggen en de afspraken naleven.

De ondersteunende kennis omvat kennis van functies en taken binnen een school.

7.3 De leerkracht kan de eigen pedagogische en didactische opdracht en aanpak in het team bespreekbaar maken.

De leerkracht kan:
7.3.1 in dialoog met collega's en de schoolleiding reflecteren over het eigen pedagogisch en
didactisch handelen;
7.3.2 feedback integreren in het eigen handelen.

De ondersteunende kennis omvat diverse vormen van schoolinterne coaching en reflecterend leren.

10.1.1 werken aan een interpretatiekader om kritisch om te gaan met informatie over die thema’s en
ontwikkelingen, en erover dialogeren.

De ondersteunende kennis omvat relevante informatiebronnen.

Attitudes

Volgende attitudes gelden voor alle functionele gehelen.

A1 beslissingsvermogen:
durven een standpunt in te nemen of tot een handeling over te gaan, en er ook de
verantwoordelijkheid voor dragen.

A2 relationele gerichtheid:
in contacten met anderen kenmerken van echtheid, aanvaarding, empathie en respect tonen.

A3 kritische ingesteldheid:
bereid zijn zichzelf en zijn omgeving ter discussie te stellen, de waarde van een bewering of een feit,
de wenselijkheid en haalbaarheid van een vooropgesteld doel te verifiëren, alvorens een stelling in te nemen.

A4 leergierigheid:
actief zoeken naar situaties om zijn competentie te verbreden en te verdiepen.

A5 organisatievermogen:
erop gericht zijn de taken zo te plannen, te coördineren en te delegeren, dat het beoogde doel op een efficiënte manier bereikt kan worden.

A6 zin voor samenwerking:
bereid zijn om gemeenschappelijk aan eenzelfde taak te werken.

A7 verantwoordelijkheidszin:
zich verantwoordelijk voelen voor de school als geheel en het engagement aangaan om een positieve ontwikkeling van het kind te bevorderen.

A8 flexibiliteit:
bereid zijn zich aan te passen aan wijzigende omstandigheden, zoals middelen, doelen, mensen en procedures.

Omschrijving van de Doelstellingen van het opleidingsonderdeel

De student gebruikt het leerplan op een correcte manier bij het maken
van de stagelessen de student streeft naar het gebruik van een
activerende werkvorm + de student kan algemene didactische principes (
doelstellingen, beginsituatie, instap, vraagstelling, werkvormen,
feedback,...') vertalen, zowel in lesvoorbereidingen als in het
lesgeven, de student kan bronnen kritisch gebruiken om leerinhouden te
selecteren,de student selecteert en gebruikt verschillende
leermiddelen/media op een adequate manier. De student houdt rekening met
de opmerkingen en bemerkingen van de mentor/lector. De student gebruikt
een correcte taal. De student respecteert de met de mentor/ lector/
stagebegeleider gemaakte afspraken. De student reflecteert op zijn/haar
didactisch handelen.
De student past zijn/haar didactisch handelen aan na reflectie.
de student leert afspraken nakomen
- de student maakt op een goede manier lesvoorbereidingen en geeft deze stipt af
- de student kan op een juiste manier lesdoelstellingen formuleren
- de student oefent zich in het geven van lessen door microteaching te geven aan zijn/haar klasgenoten
- de student kan de aangeleerde technieken uit de vakdidacktiek omzetten in de praktijk (stageles)
- de student moet de beginsituatie van de leerlingen trachten te achterhalen om op die basis hun ontwikkelingskansen maximaal te stimuleren.
- de student moet organisatorische kwaliteiten ontwikkelen om zo een efficiënt les/dagverloop te garanderen.
- de student moet voorbereid zijn op probleemsituaties.
- de student moet zich realiseren dat hij/zij niet enkel de functie zal hebben van lesgever maar ook van opvoeder en het aanbrengen van normen en waarden.
- de student moet én individueel én in groep kunnen werken.
- de student pas zijn  didactisch handelen aan naargelang het deelvak
- de student kan de geziene leerstof evalueren

Omschrijving van de Inhoud van het Opleidingsonderdeel

- overlopen leerplannen

- invullen van een lesvoorbereiding specifiek voor boekhouden

- opstellen lesdoelstellingen

- vakdidactiek voor het vak boekhouden

- vakdidactiek voor de vakken recht, verkoop en kantoor

- evaluatie: opstellen van testen, examens, huistaken...

- opstellen van een jaarplanning

- digitale borden

Opsplitsing uren /onderwijswerkvorm

Werkcollege20,00 uren
Leer- en evaluatietijd10,00 uren

Gestructureerd overzicht van Evaluatiemomenten

Evaluatie(s) voor de eerste examenkans
MomentVorm%Opmerking
Buiten de examenwekenPermanente evaluatie met mondeling examen30,00
Evaluatie(s) voor de tweede examenkans
MomentVorm%Opmerking
Examenmoment augustus/septemberTaak30,00
Evaluatie(s) voor beide examenkansen, niet herhaalbaar in tweede examenkans
MomentVorm%Opmerking
Buiten de examenwekenPermanente evaluatie70,00

Omschrijving Begeleiding

na afspraak

Bijkomende Kost

0.25