Erasmushogeschool Brussel
Nijverheidskaai 170, B-1070 BRUSSEL
Tel. 02 523 37 37 - Fax 02 523 37 57
info@ehb.be
Vakdidactiek13985/873/1112/14256/47
Studiegids

Vakdidactiek

13985/873/1112/14256/47
Academiejaar 2011-12
Komt voor in:
  • Bachelor in het Onderwijs: Secundair Onderwijs 2 OV, trajectschijf 1
    Keuzeoptie:
    • Engels
Dit is een deel van het opleidingsonderdeel Engels 1: Didactische praktijk (did. labo, vakdidactiek, stage, reflectie).
Studieomvang: 1 studiepunt
Gewicht: 1,00
Totale studietijd: 30,00 uren
Mogelijke grensdata voor leerkrediet: 30.11.2011 (Eénmalig georganiseerd over het volledige academiejaar)
Dit deel van het opleidingsonderdeel 'Engels 1: Didactische praktijk (did. labo, vakdidactiek, stage, reflectie)' wordt gequoteerd op 20 (tot op een honderdste).
Tweede examenkans: 
  • wel mogelijk.
  • indien in eerste examenkans niet geslaagd voor opleidingsonderdeel 'Engels 1: Didactische praktijk (did. labo, vakdidactiek, stage, reflectie)', moet dit deel enkel herkanst worden indien niet geslaagd.
Aard: Verplicht vak
Docenten: Vanduffel Peter
Onderwijstalen: Engels

Gestructureerde registratie van Handboeken, Syllabi, Softwarepakketten ..

Syllabus
English methodology units I on dokeosVerplicht
  • Auteur: Peter Vanduffel
  • Medium: Digitale leeromgeving
  • Te koop via de verkoopdienst

Alle studiematerialen excl Handboeken en Syllabi: Aanbevolen

cf English section

Omschrijving Begincompetenties

cf English section

Omschrijving Eindcompetenties

Studenten ontwikkelen/werken aan de ontwikkeling van de volgende basiscompetenties:
1.1 De leerkracht kan de beginsituatie van de leerlingen en de leergroep achterhalen.

1.2 De leerkracht kan doelstellingen kiezen en formuleren.
1.2.1 doelstellingen kiezen op basis van het leerplan/schoolwerkplan waarin de eindtermen en ontwikkelingsdoelen vervat zijn, en het pedagogisch project;
1.2.2 doelstellingen kiezen en formuleren, rekening houdend met de beginsituatie van de leerlingen;
1.2.4 doelstellingen concreet en operationeel formuleren;
1.3 De leerkracht kan de leerinhouden en leerervaringen selecteren.
1.3.1 keuzes maken uit een gegeven aanbod, rekening houdend met de criteria van de beginsituatie, de beschikbare tijd en hulpmiddelen;
1.3.2 de inbreng van leerlingen omzetten in leerervaringen;
1.4 De leerkracht kan de leerinhouden structureren en vertalen in leeractiviteiten.
1.4.1 de leerinhouden vertalen in opdrachten die aansluiten bij de leefwereld, de motivatie en de capaciteiten van de leerlingen;
1.4.2 naargelang van het geval, de leerinhouden opdelen in deelleerstappen, thema's en projecten, al dan niet vakoverschrijdend;
1.5 De leerkracht kan aangepaste werkvormen en groeperingsvormen bepalen.
1.5.1 strategieën en aangepaste werkvormen kiezen die afgestemd zijn op de doelstellingen;
1.5.2 gepaste groeperingsvormen kiezen en een goede timing bepalen;
1.6 De leerkracht kan individueel en in team leermiddelen kiezen en aanpassen.
1.6.1 leermiddelen kiezen en aanpassen, en hierover, indien nodig, overleg plegen met de vakgroep en het schoolteam;
1.6.2 indien nodig de leermiddelen met de hulp van collega’s aanpassen aan de doelgroep en de omstandigheden.
1.7 De leerkracht kan een krachtige leeromgeving realiseren, met aandacht voor de heterogeniteit binnen de leergroep.
1.7.1 motiverende leeromgevingen tot stand brengen, die aangepast zijn aan de belangstelling en het verwerkingsniveau van de leerlingen;
1.7.2 leerinhouden inbedden in authentieke, reële situaties die voor de leerlingen betekenisvol zijn;
1.7.4 leerlingen in de gelegenheid stellen om leerinhouden actief te ontdekken en te verwerken;
1.7.6 samenwerkend leren bevorderen;
1.8 De leerkracht kan observatie en evaluatie voorbereiden, individueel en indien nodig in team.
De leerkracht kan:
1.8.1 individueel doelstellingvalide, gedifferentieerde en aangepaste vragen, taken en opdrachten onder diverse vormen kiezen eneventueel opstellen;
1.8.2 observatie-instrumenten kiezen;
1.8.3 de betekenis en plaats van evaluatievormen in het leerproces bepalen;
1.9 De leerkracht kan proces en product evalueren met het oog op bijsturing, remediëring en differentiatie.
1.9.1 met het oog op begeleiding en beoordeling van de leerlingen en het leerproces op systematische wijze gegevens verzamelen via evaluatievormen;
1.9.2 de vorderingen en prestaties interpreteren en beoordelen;
1.9.4 activiteiten voor remediëring voorstellen;
1.9.5 evaluatiegegevens aanwenden om het eigen didactisch handelen te bevragen en bij te stellen.

1.11.1 De leerkracht kan met zijn leerlingen doelgericht gesprekken voeren en daarbij een functioneel taalaanbod doen, functionele taalproductie stimuleren en er feedback op geven;
1.11.2 De leerkracht kan teksten beoordelen en schriftelijk en mondeling toegankelijk maken door ze te bewerken op het vlak van taal en door een aangepaste didactiek;
1.11.3 De leerkracht kan vragen, opdrachten, evaluatie en feedback mondeling, indien nodig met visuele of andere ondersteuning helder formuleren en herformuleren;
1.11.4 De leerkracht kan vragen, opdrachten, evaluatie en feedback schriftelijk helder formuleren, indien nodig ondersteund met visuele of andere hulpmiddelen;
1.11.5 De leerkracht kan een heldere uiteenzetting geven, met integratie van schriftelijke of andere ondersteuning, en alles, indien nodig, flexibel aanpassen;
1.11.6 De leerkracht kan vertellen en voorlezen, en is zich daarbij bewust van zijn eigen mogelijkheden om die vaardigheden optimaal in te zetten en eventuele beperkingen te compenseren;
1.11.7 De leerkracht kan constructief reageren op het taalgebruik van de leerling.
1.12 De leerkracht kan omgaan met de diversiteit van de leergroep.
1.12.2 rekening houden met de sociaal-culturele achtergrond van leerlingen waaronder de grootstedelijke context.
2.1 De leerkracht kan in overleg een positief leefklimaat creëren voor de leerlingen in klasverband en op school.
De leerkracht kan:
2.1.1 een positieve interactie met de klasgroep opbouwen en een positieve relatie tussen de leerlingen stimuleren;
2.1.2 over de omgang met de leerlingen en de interactie in de klas reflecteren;
2.1.3 optreden met respect voor eigenheid en diversiteit en tevens discreet omgaan met gevoelens van leerlingen;
2.1.4 grenzen stellen als de positieve interactie in het gedrang komt.
2.2 De leerkracht kan de emancipatie van de leerlingen bevorderen.
2.2.1 de diversiteit binnen de leerlingengroep en binnen de samenleving bespreekbaar maken;
2.2.2 leerlingen leren omgaan met diversiteit;
2.2.3 de leerlingen ondersteunen bij het nemen van verantwoordelijkheid.
2.3 De leerkracht kan door attitudevorming leerlingen op individuele ontplooiing en maatschappelijke participatie voorbereiden.
2.3.1 bijdragen aan attitudevorming door het leren toepassen van omgangsconventies;
2.3.3 in de klascontext waarden ontwikkelen en bespreekbaar maken en in een schoolcontext
bewust waarden voorleven;
2.3.4 de gerichtheid op participatie stimuleren.
2.4 De leerkracht kan actuele maatschappelijke ontwikkelingen hanteren in een pedagogische context.
2.4.1 maatschappelijke gebeurtenissen aan de leerinhouden koppelen;
2.4.2 leerlingen kritisch en zinvol leren omgaan met informatie van en beïnvloeding door de media.
2.6 De leerkracht kan het fysieke en geestelijke welzijn van de leerlingen bevorderen.
2.6.1 aandacht opbrengen voor het bevorderen van de gezondheid van leerlingen en hij kan de fysieke ontplooiing en het bewustzijn dat gezondheid en veiligheid belangrijke waarden zijn, stimuleren;
2.6.4 zorg dragen voor het algemene welbevinden van de leerlingen.
2.7 De leerkracht kan strategieën inzetten om te communiceren met anderstalige leerlingen.
3.1 De leerkracht beheerst de domeinspecifieke kennis en vaardigheden, en kan die verbreden en verdiepen.
3.1.1 hiaten in de eigen vakdeskundigheid detecteren en aanvullen, en de verworven deskundigheid actualiseren, uitbreiden en verdiepen.
3.2 De leerkracht kan de verworven domeinspecifieke kennis en vaardigheden aanwenden.
3.2.1 flexibel gebruikmaken van domeinspecifieke kennis en vaardigheden in de pedagogisch-didactische aanpak.
3.3 De leerkracht kan het eigen vormingsaanbod situeren en integreren in het geheel van het onderwijsaanbod.
3.3.1 horizontale en verticale verbanden leggen tussen inhouden uit het eigen vakgebied, en tussen die inhouden en de inhouden uit verwante vakgebieden en vakoverschrijdende domeinen;
3.3.2 het eigen aanbod situeren binnen de ontwikkelingsdoelen en eindtermen, en binnen een leerplan.
4.1 De leerkracht kan een gestructureerd werkklimaat bevorderen.
De leerkracht kan:
4.1.1 vaardigheden en aanpakwijzen van goed klasmanagement hanteren.
4.2 De leerkracht kan een soepel en efficiënt lesverloop creëren, passend in een tijdsplanning vanuit het oogpunt van de leerkracht en de leerlingen.
De leerkracht kan:
4.2.1 voor de leerlingen gelijktijdige of opeenvolgende activiteiten vlot en soepel laten verlopen;
4.2.3 de eigen taken op korte en langere termijn plannen.
4.4 De leerkracht kan een stimulerende en werkbare klasruimte creëren.
De leerkracht kan:
4.4.1 uitdagende speel-, leer- en werkvoorzieningen inrichten;
4.4.2 een klas aangepast, aangenaam en functioneel inrichten.
5.1 De leerkracht kan vernieuwende elementen aanwenden en aanbrengen.
5.1.1 vernieuwende inzichten uit de opleiding in zijn onderwijspraktijk aanwenden;
5.1.2 in samenspraak met het schoolteam vernieuwende inzichten die zich in de samenleving aandienen, in zijn onderwijspraktijk integreren.
5.3 De leerkracht kan het eigen functioneren ter discussie stellen en bijsturen.
5.3.1 de klaspraktijk vanuit reflectie op de eigen ervaringen bijsturen.
7.3 De leerkracht kan de eigen pedagogische en didactische opdracht en aanpak in het team bespreekbaar maken.
7.3.1 in dialoog met collega's en de lector reflecteren over het eigen pedagogisch en didactisch handelen;
7.3.2 feedback integreren in het eigen handelen.
9.1 De leerkracht kan deelnemen aan het maatschappelijke debat over onderwijskundige thema's.

9.2 De leerkracht kan dialogeren over zijn beroep en zijn plaats in de samenleving.

10.1 De leerkracht kan (actuele) maatschappelijke thema's en ontwikkelingen onderscheiden en kritisch benaderen op de volgende domeinen:
  • het sociaal-politieke domein;
  • het sociaal-economische domein;
  • het levensbeschouwelijke domein;
  • het cultureel-wetenschappelijke domein.

Attitudes
A1 beslissingsvermogen: durven een standpunt in te nemen of tot een handeling over te gaan, en er ook de verantwoordelijkheid voor dragen.

A2 relationele gerichtheid: in contacten met anderen kenmerken van echtheid, aanvaarding, empathie en respect tonen.

A3 kritische ingesteldheid: bereid zijn zichzelf en zijn omgeving ter discussie te stellen, de waarde van een bewering of een feit, de wenselijkheid en haalbaarheid van een vooropgesteld doel te verifiëren, alvorens een stelling in te nemen.

A4 leergierigheid: actief zoeken naar situaties om zijn competentie te verbreden en te verdiepen.

A5 organisatievermogen: erop gericht zijn de taken zo te plannen, te coördineren en te delegeren, dat het beoogde doel op een efficiënte manier bereikt kan worden.

A6 zin voor samenwerking: bereid zijn om gemeenschappelijk aan eenzelfde taak te werken.

A7 verantwoordelijkheidszin: zich verantwoordelijk voelen voor de school als geheel en het engagement aangaan om een positieve ontwikkeling van het kind te bevorderen.

A8 flexibiliteit: bereid zijn zich aan te passen aan wijzigende omstandigheden, zoals middelen, doelen, mensen en procedures.

Omschrijving van de Doelstellingen van het opleidingsonderdeel

cf English section

Omschrijving van de Inhoud van het Opleidingsonderdeel

cf English section

Opsplitsing uren /onderwijswerkvorm

Werkcollege20,00 uren
Leer- en evaluatietijd10,00 uren

Gestructureerd overzicht van Evaluatiemomenten

Evaluatie(s) voor de eerste examenkans
MomentVorm%Opmerking
Examenmoment juniMondeling examen75,00"De student dient alle onderdelen van het examen af te leggen. Indien één van deze onderdelen, die deel uitmaken voor de berekening van het eindcijfer van het opleidingsonderdeel, niet wordt afgelegd, zal dit automatisch leiden tot de eindscore NA voor het opleidingsonderdeel."
Examenmoment juniPermanente evaluatie25,00criteria: respecting deadlines + quality of your uploads
"De student dient alle onderdelen van het examen af te leggen. Indien één van deze onderdelen, die deel uitmaken voor de berekening van het eindcijfer van het opleidingsonderdeel, niet wordt afgelegd, zal dit automatisch leiden tot de eindscore NA voor het opleidingsonderdeel."
Evaluatie(s) voor de tweede examenkans
MomentVorm%Opmerking
Examenmoment augustus/septemberMondeling examen75,00"De student dient alle onderdelen van het examen af te leggen. Indien één van deze onderdelen, die deel uitmaken voor de berekening van het eindcijfer van het opleidingsonderdeel, niet wordt afgelegd, zal dit automatisch leiden tot de eindscore NA voor het opleidingsonderdeel."
Examenmoment augustus/septemberPermanente evaluatie25,00Cf English section
"De student dient alle onderdelen van het examen af te leggen. Indien één van deze onderdelen, die deel uitmaken voor de berekening van het eindcijfer van het opleidingsonderdeel, niet wordt afgelegd, zal dit automatisch leiden tot de eindscore NA voor het opleidingsonderdeel."

Omschrijving Begeleiding

cf English section

Bijkomende Kost

0.25