Basiscompetenties die ontwikkeld worden/aan bod komen in de module Vocabulary – British Culture 2
2.1 De leerkracht kan in overleg een positief leefklimaat creëren voor de leerlingen in klasverband en op school.
2.1.1 een positieve interactie met de klasgroep opbouwen en een positieve relatie tussen de leerlingen stimuleren;
2.1.3 optreden met respect voor eigenheid en diversiteit en tevens discreet omgaan met gevoelens van leerlingen;
2.1.4 grenzen stellen als de positieve interactie in het gedrang komt.
2.2 De leerkracht kan de emancipatie van de leerlingen bevorderen.
De leerkracht kan:
2.2.1 de diversiteit binnen de leerlingengroep en binnen de samenleving bespreekbaar maken;
2.2.2 leerlingen leren omgaan met diversiteit;
2.2.3 de leerlingen ondersteunen bij het nemen van verantwoordelijkheid.
2.3 De leerkracht kan door attitudevorming leerlingen op individuele ontplooiing en maatschappelijke participatie voorbereiden.
2.3.1 bijdragen aan attitudevorming door het leren toepassen van omgangsconventies;
2.3.3 in de klascontext waarden ontwikkelen en bespreekbaar maken en in een schoolcontext bewust waarden voorleven;
2.3.4 de gerichtheid op participatie stimuleren.
2.4 De leerkracht kan actuele maatschappelijke ontwikkelingen hanteren in een pedagogische context.
2.4.1 maatschappelijke gebeurtenissen aan de leerinhouden koppelen;
2.4.2 leerlingen kritisch en zinvol leren omgaan met informatie van en beïnvloeding door de media.
2.6 De leerkracht kan het fysieke en geestelijke welzijn van de leerlingen bevorderen.
2.6.1 aandacht opbrengen voor het bevorderen van de gezondheid van leerlingen en hij kan de fysieke ontplooiing en het bewustzijn dat gezondheid en veiligheid belangrijke waarden zijn, stimuleren;
2.6.4 zorg dragen voor het algemene welbevinden van de leerlingen.
2.7 De leerkracht kan strategieën inzetten om te communiceren met anderstalige leerlingen.
3.1 De leerkracht beheerst de domeinspecifieke kennis en vaardigheden, en kan die verbreden en verdiepen.
3.1.1 hiaten in de eigen vakdeskundigheid detecteren en aanvullen, en de verworven deskundigheid actualiseren, uitbreiden en verdiepen.
3.2 De leerkracht kan de verworven domeinspecifieke kennis en vaardigheden aanwenden.
3.2.1 flexibel gebruikmaken van domeinspecifieke kennis en vaardigheden in de pedagogisch-didactische aanpak.
3.3 De leerkracht kan het eigen vormingsaanbod situeren en integreren in het geheel van het onderwijsaanbod.
3.3.1 horizontale en verticale verbanden leggen tussen inhouden uit het eigen vakgebied, en tussen die inhouden en de inhouden uit verwante vakgebieden en vakoverschrijdende domeinen;
4.1 De leerkracht kan een gestructureerd werkklimaat bevorderen. De leerkracht kan:
4.1.1 vaardigheden en aanpakwijzen van goed klasmanagement hanteren.
4.4 De leerkracht kan een stimulerende en werkbare klasruimte creëren. De leerkracht kan:
4.4.2 een klas aangepast, aangenaam en functioneel inrichten.
5.1 De leerkracht kan vernieuwende elementen aanwenden en aanbrengen.
5.1.1 vernieuwende inzichten uit de opleiding in zijn onderwijspraktijk aanwenden;
5.1.2 in samenspraak met het schoolteam vernieuwende inzichten die zich in de samenleving aandienen, in zijn onderwijspraktijk integreren.
7.1 De leerkracht kan overleggen en samenwerken binnen een team.
7.1.1 zijn opdracht realiseren in samenwerking met de leden van een team en rekening houdend met de schoolcultuur en -organisatie;
7.2 De leerkracht kan binnen het team over een taakverdeling overleggen en de afspraken naleven.
8.1 De leerkracht kan met hulp van collega’s contacten leggen, communiceren en samenwerken met externe instanties die onderwijsbetrokken initiatieven aanbieden.
9.1 De leerkracht kan deelnemen aan het maatschappelijke debat over onderwijskundige thema's. 9.2 De leerkracht kan dialogeren over zijn beroep en zijn plaats in de samenleving.
10.1 De leerkracht kan (actuele) maatschappelijke thema's en ontwikkelingen onderscheiden en kritisch benaderen op de volgende domeinen:
- het sociaal-politieke domein;
- het sociaal-economische domein;
- het levensbeschouwelijke domein;
- het cultureel-esthetische domein;
- het cultureel-wetenschappelijke domein.
Attitudes
A1 beslissingsvermogen: durven een standpunt in te nemen of tot een handeling over te gaan, en er ook de verantwoordelijkheid voor dragen.
A2 relationele gerichtheid: in contacten met anderen kenmerken van echtheid, aanvaarding, empathie en respect tonen.
A3 kritische ingesteldheid: bereid zijn zichzelf en zijn omgeving ter discussie te stellen, de waarde van een bewering of een feit, de wenselijkheid en haalbaarheid van een vooropgesteld doel te verifiëren, alvorens een stelling in te nemen.
A4 leergierigheid: actief zoeken naar situaties om zijn competentie te verbreden en te verdiepen.
A5 organisatievermogen: erop gericht zijn de taken zo te plannen, te coördineren en te delegeren, dat het beoogde doel op een efficiënte manier bereikt kan worden.
A6 zin voor samenwerking: bereid zijn om gemeenschappelijk aan eenzelfde taak te werken.
A7 verantwoordelijkheidszin: zich verantwoordelijk voelen voor de school als geheel en het engagement aangaan om een positieve ontwikkeling van het kind te bevorderen.
A8 flexibiliteit: bereid zijn zich aan te passen aan wijzigende omstandigheden, zoals middelen, doelen, mensen en procedures.