Algemene competenties
2. Verwerven en verwerken van informatie
AC 2.1Vlot de nodige gegevens vinden in hoorcolleges, op internet, mediatheek, etc., om het eigen werk te organiseren en noodzakelijke informatie te vergaren, en hierover eigen mening beknopt kunnen formuleren
AC 2.2.- Informatie bekomen uit onderzoek verwerken i.f.v. onderzoeksvragen en hierbinnen verbanden en relaties kunnen aangeven
AC 2.3.- Zelfstandig en kritisch bronnen gebruiken, in functie van de beroepspraktijk efficiënt informatie kunnen opsporen vanuit de diversiteit van huidige beschikbare bronnen, verworven informatie adequaat verwerken en ter beschikking kunnen stellen van belanghebbenden in de beroepspraktijk
4. Vermogen tot projectmatig werken
AC 4.1.- De student kan opgaan met afspraken en groepsrollen op zich nemen in een taakgestuurde omgeving, kan planmatig werken
AC 4.2De student kan een probleemgestuurde omgeving in groep vormgeven, vanuit een projectmatig stappenplan, stimuleert de projectmedewerkers tot het kunnen volbrengen van taken en het behalen van resultaten, neemt verantwoordelijkheid op voor leren binnen de projectorganisatie
5. Creativiteit
AC 5.1. Staat open voor nieuwigheden en is bereid daarover mee te denken
AC 5.2. Kan met alternatieve ideeën en oplossingen voor de dag komen, Is vernieuwend en origineel in zijn/haar aanpak
6. Kunnen uitvoeren van eenvoudige leidinggevende taken
AC 6.1 Kan de rol van gespreksleider of voorzitter op zich nemen, en het groepsproces sturen, Geeft richting op het niveau van taken en de uitvoering daarvan
AC 6.3Het aansturen, ontwikkelen en motiveren van medewerkers zodat ze - voor eenvoudige opdrachten - hun doelstellingen en die van de organisatie en/of opdrachtgever op een correcte manier kunnen realiseren, zowel individueel als in teamverband, Geeft richting zowel via processen en structuren als via het bepalen en uitdragen van een visie
7. Vermogen tot communiceren van informatie, ideeën, problemen en oplossingen, zowel aan specialisten als aan leken .
AC 7.1- Bewijs leveren van een goede taalvaardigheid, mondelinge redeneringen bondig en enthousiast weergeven, ICT-mogelijkheden benutten bij presentaties, Weet informatie, ideeën, problemen en oplossingen vlot en begrijpelijk te verwoorden.
AC 7.2., ICT-mogelijkheden benutten op het web, informatie kunnen formuleren en presenteren voor een publiek en communicatie en interculturele interactie in twee richtingen kunne opbouwen
Algemene beroepsgerichte competenties
1. Teamgericht kunnen werken
ABC 1.1 – Werkt mee en informeert anderen
ABC 1.2- Helpt anderen en pleegt overleg, stimuleert de samenwerking binnen de groep
3. Het besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid samenhangend met de beroepspraktijk
ABC 3.1- Handelt correct en respectvol ten aanzien van zijn/haar omgeving en van de bestaande regels en afspraken
ABC 3.2.- Brengt sociale en ethische normen in de praktijk, handelt integer in een veelheid aan situaties, ook in die waar geen eenduidige regelgeving voor bestaat
ABC 3.3In praktijksituaties handelen vanuit de codes van sociale en ethische normen (diversiteit, interculturaliteit, rechtvaardigheid en pluralisme) en regels van gangbare (beroeps)deontologie. kan op verantwoordelijke wijze omgaan met praktijksituaties, medewerkers, werkgever in relatie tot de ruime maatschappelijk werkomgeving
Beroepsspecifieke competenties
1. De leraar als begeleider van leer- en ontwikkelprocessen
BC 1.1 De beginsituatie van de lerende en de leerlingengroep achterhalen BC 1.2 Doelstellingen kiezen en formuleren
BC 1.2.1 De student kan doelstellingen kiezen op basis van de ontwikkelingsdoelen en eindtermen, ontwikkelings- en leerlijnen, een geselecteerd leerplan, het schoolwerkplan en het pedagogisch project.
BC 1.2.2 De student kan doelstellingen kiezen en formuleren, rekening houdend met de beginsituatie van de leerlingen en met de kenmerken en diversiteit van de groep.
BC 1.2.3 De studenten kunnen met het oog op het kiezen en formueleren van doelstellingen, leerlijnen in leerboeken en het leerplan in kwestie herkennen.
BC 1.3 De leerinhouden en leerervaringen selecteren
BC 1.3.1 De student kan keuzes maken uit een gegeven aanbod, rekening houdend met de beginsituatie, de maatschappelijke relevantie, de beschikbare tijd en hulpmiddelen en met de kenmerken van het aanbod thuis.
BC 1.3.2 De student kan de inbreng van leerlingen omzetten in leerervaringen.
BC 1.4 De leerinhouden/leerervaringen structureren en vertalen in een onderwijsaanbod
BC 1.4.1. De studente kan het onderwijsaanbod opdelen in leerstappen, thema's en projecten.
BC 1.4.2. De student kan het verband leggen tussen leerstofonderdelen en tussen leergebieden, zowel horizontaal als verticaal.
BC 1.4.3 De student kan leerinhouden en leerervaringen vertalen in een zinvol onderwijsaanbod dat aansluit bij de leefwereld en motivatie van de leerlingen, daarbij gebruik makend van diversiteit, waaronder de sociale, culturele en talige diversiteit binnen de groep.
BC 1.5.1 De student kan aangepaste werkvormen kiezen en ze afstemmen op de doelstellingen.
BC 1.5.2 De student kan gepaste groeperingsvormen kiezen.
BC 1.5.3 De student kan multimedia functioneel gebruiken.
BC 1.6 Individueel en in team leermiddelen kiezen en aanpassen
BC 1.6.1 De studente kan informatie over leermiddelen vinden, raadplegen en kritisch beoordelen, rekening houdend met de specifieke behoeften en kenmerken van de doelgroep.
BC 1.6.2 De student kan indien nodig de leermiddelen aanpassen.
BC 1.7 De student kan een krachtige leeromgeving creëren met aandacht voor de heterogeniteit binnen de leergroep.
BC 1.7.2 De student kan leeromgevingen ontwerpen die de mogelijkheid tot allerlei vormen van interactie bieden. BC 1.7.5 De student kan adequaat inspelen op wat zich voordoet in de feitelijke leeromgeving, en hij kan werken met de inbreng van de leerlingen.
BC 1.10 De student kan in overleg met het team deelnemen aan zorgverbredingsinitiatieven en die laten aansluiten bij de totaalbenadering van de school.
BC 1.11.3 De student kan vragen, opdrachten, evaluaties en feedback mondeling, indien nodig ondersteund met visuele of andere hulpmiddelen helder formuleren en herformuleren.
BC 1.11.4 De student kan vragen, opdrachten, evaluaties en feedback schriftelijk helder formuleren indien nodig met visuele of andere ondersteuning.
BC 1.11.6 De student kan expressief vertellen en voorlezen en dat flexibel aanpassen.
BC 1.12 De student kan omgaan met de diversiteit van de groep.
2. De leraar als opvoeder
BC 2.1 De student kan in overleg een positief leefklimaat creëren voor de leerlingen in de groep en op school.
BC 2.3 De student kan door attitudevorming leerlingen op individuele ontplooiing en maatschappelijke participatie voorbereiden.
BC 2.4 Actuele maatschappelijke ontwikkelingen hanteren in een pedagogische context
3. De leraar als inhoudelijk expert
BC 3.1 De student beheerst de basiskennis van de leerinhouden.
BC 3.2 De student kan de verworven kennis en vaardigheid met betrekking tot leergebieden en vakgebieden aanwenden op een geïntegreerde manier.
4. De leraar als organisator
BC 4.4 Een stimulerende, veilige en werkbare klasruimte creëren
BC 4.4.1 De student kan uitdagende en veilige speel-, leer- en werkvoorzieningen inrichten in een lokaal.
BC 4.4.2 De student kan een klas aangepast, aangenaam en functioneel inrichten.
BC 7.1 De student kan overleggen en samenwerken binnen het schoolteam.
BC 8.1 De student kan in overleg met collega's contacten leggen, communiceren en samenwerken met externe instanties die onderwijsbetrokken initiatieven aanbieden.
BC 8.2.2 De student kan een korte heldere uiteenzetting geven en daarbij flexibel gebruik maken van ondersteuning in schrift en beeld.
BC 8.2.3 De student kan doelgericht verschillende soorten korte teksten schrijven afhankelijk van klas- en schoolcontext.
Attitudes
A1 beslissingsvermogen
A2 relationele gerichtheid
A3 kritische ingesteldheid
A4 leergierigheid
A5 organisatievermogen
A6 zin voor samenwerking
A7 verantwoordelijkheidszin
A8 flexibiliteit